Vakantiehulp in de keuken van een sterrenkok

THEMAKRANT VAKANTIEBAANTJE (editie 29, zomer 2026)

 

door Peter de Jonge

Een vakantiebaantje bij een sterrenkok. Als dat zich in deze tijd afspeelde zou dat hetzelfde zijn als bij Sergio Herman of de onlangs overleden Jonnie Boer in de keuken te mogen rondlopen. Ondenkbaar! Maar ik deed het.

Dat wil zeggen: niet bij een chef-kok die even beroemd was als de helden van nu. Ik banjerde in 1967 als middelbare scholier door de keuken van het chique Strandhotel in Vlissingen, waar de eerste Zeeuwse kok met een Michelinster, Willem Vader, de scepter zwaaide. Hoewel, de scepter zwaaien is wat te veel gezegd. Hij was al in zijn nadagen nadat hij met zijn paté du chef, fruits de mer de l’Escaut en Moqueuse — een gevogelte verpakt in een delicate saus — in 1964 en 1965 van de gevreesde Michelin-keurmeesters een ster had gekregen. Ik zag Willem Vader, die zoals veel koks wel van een alcoholische versnapering hield, tijdens mijn baantje alleen als hij één keer per week aan een tafeltje in de keuken het menu voor de volgende week in een schriftje noteerde.

Gedrild

Aan de kachel, zoals ze het noemden, zag ik hem nooit. Dat liet hij over aan de talentvolle sous-chef Pierre Smets. Die zwaaide er met de scepter en af en toe zag ik taferelen die ik later herkende in kookprogramma’s van Gordon Ramsey. Leerling-koks werden gekleineerd en gedrild. Eén van hen was Sjaak Jobse die later een SVH Meesterkok werd, een soort Michelin-ster voor instellingskoks.

Mijn rol in die keuken was onbeduidend. De leerlingen, zoals Jobse, die door de ouderen in de zeik werden genomen, vonden het weer leuk om mij te grazen te nemen. Zoals die keer dat ik peterselie moest hakken en Jobse een lepeltje zout liet zien met de woorden: ‘zo fijn moet het worden’.

Ik bekommerde me alleen om de ‘kleine keuken’: ijsjes voor het terras van het Strandhotel maken, bitterballen bakken en slaatjes maken voor de bridgeclub, die er een avond per week bijeenkwam. Hoe ik aan de baan ben gekomen weet ik niet meer. Waarschijnlijk via een kennis van mijn ouders, de klassieke ober-kelner De Koning.

Rotisserie De Put

In het heiligste der heiligste, de in een bunker onder het hotel gevestigde rotisserie De Put waar de sterrenmaaltijden werden geserveerd, kwam ik zelden. Toch moest ik er op een avond toch iets brengen: pannenkoekjes voor de crêpes Suzette, die boven in de ‘grote keuken’ werden gebakken. Ze lagen keurig gerangschikt op een grote, roestvrijstalen schaal afgedekt met een witte doek. Op de afgesleten stenen trap gleed ik onderuit en met donderend geraas kletterde de schaal naar beneden. Ik krabbelde overeind, legde de crêpes weer netjes op de schaal en vervolgde een beetje hinkend mijn weg naar De Put, waar ze later gewoon uitgeserveerd werden.

Een ander incident gebeurde toen ik iets moest halen uit de koelcel en daar per ongeluk in een emmer met soep, een consommé petite marmite, ging staan. Terug in de keuken biechtte ik het schuldbewust op. Waarop souschef Smets koeltjes reageerde: ‘Jammer van je schoen.’ Of de soep ooit nog is opgediend, weet ik niet. Ik heb er zo mijn gedachten over.

foto: De keukenbrigade van het Strandhotel met derde van links Pierre Smets.

Geen reacties

Geef een reactie