Liefde maakt sneeuwblind

In het decembernummer 2019 van Zeeuws Weerzien over De winter van ’62/’63 staan veel verhalen over belevenissen uit die barre tijd. Goesenaar M.J. (Han) Pluijmers schreef een column over een ijzig avontuur dat hij als jongen van 18 beleefde op de weg van Middelburg naar het Oudedorp bij Nieuw- en Sint Joosland. Hij is inmiddels 52 jaar getrouwd met het meisje dat hij toen ging opzoeken.

De winter van ’62-’63
door Han Pluijmers

Het had vanmorgen gesneeuwd. Dat was best lang geleden. Mijn gedachten gaan terug naar die laatste zaterdag van 1962, naar de winter van ’62-’63. De strengste winter uit de jaartelling. De winter die op 1 december begon en op 8 maart eindigde. Een winter van sneeuwduinen, ijsbergen en onbegaanbare wegen. Een winter van onophoudelijk schaatsen, helaas op een beroerde ijsvloer vanwege de extreme hoeveelheden sneeuw. De winter waarin Reinier Paping de Elfstedentocht won onder barre omstandigheden.

Het volgende avontuur speelde zich af op zaterdag 29 december 1962. De zaterdag tussen Kerst en Nieuw. In dit verhaal vervul ikzelf als 18-jarige een hoofdrol. Het had de hele nacht en ochtend gesneeuwd bij een stormachtige noordoostenwind. De radio sprak over een rampzalige situatie op de wegen, met name in het zuiden van het land. Die middag zou ik naar mijn vriendin gaan. Dat stond vast. Afbellen kon niet want er waren nog geen mobieltjes. Bovendien wìlde ik ook helemaal niet afbellen. Ik moest mijn ouders beloven om voor deze éne keer de bus te nemen van Middelburg naar Nieuwland. En die laatste kilometer de polder in, die zou ik dan lopend moeten afleggen.

Dus toog ik met de fiets naar het busplein ergens in het centrum van Middelburg (1). Alle bussen stonden vertrekklaar en dat bleef ook zo. Dat duurde wel erg lang. Er was een hokje waar de chauffeurs zich even op konden warmen. En inderdaad, er zat een groepje buschauffeurs om een potkacheltje te klaverjassen. De bus naar Nieuwland? Nee, die gaat vandaag niet. Alle wegen zijn geblokkeerd. Hoe moet ik dan in Nieuwland komen? Tja…..

Toen nam ik een historisch besluit. Ik zou tóch gaan fietsen. Wat is nou 5 kilometer? Ik moest en zou mijn vriendin zien. Tot aan het station ging het nog redelijk. Een beetje glibberen, maar ik kon redelijk op de fiets blijven. Op de Kanaalweg stond de wind pal op de kop en werd ik af en toe teruggeblazen. De echte problemen begonnen pas na de spoorbomen (2). De Nieuwlandse dijk is normaal de verkeersader tussen Walcheren en de rest van Nederland. Rijksweg 58 was er toen nog lang niet. Maar deze dijk was vandaag nauwelijks te herkennen. Een hele lege weg, de beide fietspaden waren onherkenbaar.
Zo af en toe stond er een verlaten auto, compleet ingesneeuwd. Een bizar gezicht. Een stormachtige wind voerde driftsneeuw aan uit het noordoosten. Waar geen sneeuwduinen lagen, was het wegdek sterk verijst. Wat moet ik met die fiets? Meesjouwen en achter me aanslepen, glibberen, vallen en weer opstaan. Af en toe jezelf uitgraven uit een sneeuwhoop. Ik was alleen op wereld. Niemand gezien. Geen idee hoeveel tijd die 3 kilometer dijk me gekost heeft. Als een diepgevroren sneeuwpop naderde ik uiteindelijk het dorp (3). In het dorp zelf was enige menselijke activiteit (4). Ik werd vreemd aangestaard. Dat kan ik me wel voorstellen. Het tafereeltje deed ongetwijfeld denken aan de verschrikkelijke sneeuwman die tot op die dag alleen in de Himalaya zou bestaan.

In het dorp kwam ik nog zo’n stumper tegen die probeerde een fiets mee te zeulen. Maar voor mij moest het ergste nog komen. De ruim één kilometer lange binnendijk tussen het dorp en het gehuchtje waar ik uiteindelijk moest zijn (5). De smalle dijk was nauwelijks te begaan. De sneeuwduinen werden steeds hoger. De wind trok nog wat aan. Waar was ik aan begonnen? En waarom zeul ik nog steeds die stomme fiets achter me aan? Ik kreeg visioenen van poolreizigers uit vroeger tijden. Over Amundsen en Scott die beide de Zuidpool trachtten te bereiken. Maar die hoefden tenminste geen fiets achter zich aan te slepen. Zij hadden de beschikking over een slede met poolhonden.

Intussen begon het duister in te vallen. In de verte zag ik een paar lichtjes tussen de sneeuwjacht door. Dat was m’n eindbestemming!! Er was nog één probleem. Ik moest ergens de dijk verlaten, maar waar? Met behulp van het flauwe licht van een lantaarnpaal zag ik de afrit, tenminste, wat eens de afrit geweest was (in de volksmond noemen ze dat een aprèl). Het was nu één grote hoop sneeuw. Speciaal voor mijn fiets heb ik, met de hand, een smalle corridor gegraven. Nog 100 meter en ik was er. Met mijn laatste krachten bonsde ik op de deur. Stomverbaasd werd ik aangestaard. Niemand had mij ook maar in de verste verte verwacht. Na een halfuurtje opwarmen naast de potkachel kwam ik weer enigszins bij m’n positieven.

Eén ding weet ik zeker. Ik heb punten gescoord bij m’n vriendin en bij haar ouders. Heel veel punten. Het verhaal ging als een lopend vuurtje door het dorp: “Ei je’t à hôre?”.
Ik heb zoveel punten gescoord dat het ongeveer gelijk staat met het doen van 10 aanzoeken (zie vorige column).

Nee, er komt geen boek over deze poolexpeditie. Ook geen film of spannende documentaire.
Maar wél een column. Hiermee wordt die spannende middag toch voor de eeuwigheid vastgelegd. Het was geen verstandige actie maar achteraf ben ik best een beetje trots. Ik bedenk terloops ook nog even een subtitel voor deze column: LIEFDE MAAKT SNEEUWBLIND.

Wilt u de hele krant nog eens bekijken, klik dan hier.

Wilt u meer blogs lezen van Han Pluijmers, klik dan hier.

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.