Wat maakte paardenknecht Katse Hendrik zoal mee

Lezer Jan de Jonge beschrijft het leven van een paardenknecht zoals dat er in de eerste helft van de vorige eeuw uitzag. Als kleine jongen kende hij Hendrik (Eine), de paardenknecht van zijn opa.

door Jan de Jonge

De werkdag van een paardenknecht begon heel vroeg. Al om vier uur haalde Hendrik (Eine) in de zomer de paarden uit de wei. De paarden kregen eerst te eten en te drinken. Ondertussen nam hij zelf een kop koffie of thee en at een boterham. Daarna roskamde hij de paarden.

Uit een kleine ruimte, die men het gereelkot noemde, pakte Hendrik het gareel, het hoofdstel, de kinketting, de leidsels en de rest van het tuig voor een span paarden. Elk paard had zijn eigen passende tuig. Het bevestigen van dit tuig heet ‘het inspannen van een paard’.

Vervolgens ging de paardenknecht naar het land of spande de paarden voor een wagen om  naar de akkers te rijden. Daar werkte Hendrik ongeveer tot half tien. Dan spande hij de paarden weer uit en liet ze drinken en eten, en nam zelf een boterham met koffie.

In de tussentijd mestte hij bijvoorbeeld de stal uit of maakte hij voederbieten schoon voor de paarden.

Daarna werden de paarden opnieuw ingespannen en werkte hij tot half twaalf. Dan volgde weer hetzelfde ritueel. De paardenknecht had een half uur om te eten.

Om half één spande hij weer in en werkte hij tot half vijf. Daarna werden de paarden uitgespannen en gevoerd, terwijl de knecht in en rond de schuur nog verschillende werkzaamheden deed.

Rond zes uur zat de dag er op – tenminste als de baas of zijn grote zonen thuis waren. Zo niet dan moest hij later in de avond, rond acht uur, terug komen om de paarden nogmaals te voeren. In de zomer was dat niet nodig als de paarden na het werk in de wei graasden.

Taken

Als paardenknecht kon je later eerste knecht of opperknecht worden. Je verdiende dan anderhalve of twee gulden meer dan de anderen. Bij sommige bazen kreeg elke knecht bovendien 15 mud aardappelen.

De opperknecht zorgde voor het eten van de paarden, hield de werktijden in de gaten, verdeelde het werk en waakte over de harmonie onder de collega’s. De eerste knecht leidde de jonge trekpaarden op voor het boerenwerk. Dat gebeurde in de winter, vaak in de mestput. De knecht zat dan op het paard en werd er in het begin weleens afgegooid. In de mest landde hij dan betrekkelijk zacht.

Het paard wende aan het bit, het hoofdstel en het gareel. Daarna mocht het licht werk doen, met twee knechts erbij. Ging dat goed dan werd het naast een gemakkelijk oud paard gezet.

Het jonge paard hoorde de stemhulpjes of commando’s, die Hendrik gaf. Bij stap of allé stapte het paard vooruit, aer-op of aer-om was het teken voor links, naar rechts was (h)ito of (h)uut-om. Die laatste twee stemhulpen sloegen op hoe het haar van het paard gekamd was.  Naar links, dus het haar lag op de linker zijde van de paardenhals (aer-op of aer-om). Op de rechter zijde van de paardenhals zag je zijn huid (huut-om of verbasterd tot  ito).

Het oude en het jonge paard deden samen het lichtere werk. Pas wanneer het jonge paard daaraan gewend was, kwamen er zwaardere klussen.

Leerweg

Een beginnende paardenknecht moest ook leren eggen, slepen, zaaien, ploegen en met een wagen vol oogst (‘n vol voer) rijden. Hij leerde ook de trekpaarden bij zware inspanning op tijd te laten rusten. Bij het maaien van graan werden de paarden na drie uur werken gewisseld zodat ze konden rusten en eten. Ook bij het ploegen moest er regelmatig gerust  worden op het einde van de akker (dat werd in ’t Zeeuws op ’t veurood genoemd).

Als je als paardenknecht met een volgeladen wagen suikerbieten naar de Katse kade mocht rijden, was je volleerd. In de winter moest je daarvoor wel vroeg op en in het donker, met brandende carbidlampen aan de wagen, naar de kade rijden.

Deze leerweg had Hendrik ook doorlopen. Nu kende hij de paarden door en door. Hij zei wel eens: ,,Ik ben twee keer getrouwd; eerst met Barendje en toen met de paarden.”

Hendrik was getrouwd met Barendje Bouterse en woonde in de Kerkstraat, vlak bij de muziektent. Hij was tevens koster bij de kerk. Soms dommelde hij, zittend achterin de kerk, tijdens de preek wel eens in.

Hendrik/Eine

Zelf heb ik Hendrik, roepnaam Eine, Adriaanse nog gekend. Hij was paardenknecht bij mijn opa. Als jongen zag ik wel dat Eine ouder was dan de anderen, maar had geen idee hoe oud. Nu weet ik dat hij 66 jaar was toen ik zes jaar was. Hij deed toen alleen lichte klusjes rond en in de schuur, het zware werk deed hij niet meer.

Eine noemde mij soms Johannes. En zei dan: ,,Johannes de Doper, je kont is van koper.” Ook stuurde hij mij om het spiekerzifje (’t spijkerzift) en het aer(d)bezemladdertje (het aardbeienladdertje). En hij had altijd hetzelfde raadseltje: ,,Weet je hoe koffie heet die twee dagen oud is.” Ik wist het nooit, maar Eine vertelde het antwoord ook nooit..

Zijn schoonzoon Toon heeft nog een tijdje samen met hem bij mijn opa gewerkt, maar ging toen bij overbuurman Markusse aan de slag. Toon volgde zijn schoonvader uiteindelijk op als koster.

Paardenknecht Hendrik Adriaanse overleed in 1967 op 79 jarige leeftijd.

foto: Katse paardenknechten op versierde paarden staan opgesteld bij de Boomdijk in de Leendert Abrahampolder. Hendrik (Eine) Adriaanse is de tweede van rechts.

Geen reacties

Geef een reactie