Wisselen
door Mieke van der Jagt
Er was een tijd dat ik niks liever wilde dan een fietsenrek. Niet zo’n ding om mijn zevende hands, loodzware doortrapper in te parkeren, maar zo’n sjeike mond vol gaten.
Op de kleuterschool waren er zat kinderen, veel kleiner dan ik, die al onder en boven aan het wisselen waren. Ik niet; mijn inmiddels flink versleten tandjes zaten nog muurvast.
Mijn zus, twee jaar ouder, heeft drie weken (en dat overdrijf ik niet) in een zakdoek lopen kwijlen toen haar eerste tand een beetje los kwam te zitten. De hele familie, en trouwens ook de hele buurt, stak er de gek mee. Ik dacht toen al: dat zal mij niet gebeuren. De tand droop uiteindelijk in de zakdoek en er werd een bedeltje van gemaakt. Bij de volgende stelde ze zich maar een week aan.
Omdat ik niet kon wachten voelde ik natuurlijk regelmatig of er al eentje los zat maar dat duurde echt een eeuwigheid. Ik kreeg er maar geen vinger achter. Omdat ik nogal groot was uitgevallen, vroegen mensen ook regelmatig of ik nog niet wisselde. Geschokt door die kleine rotrandjes, dacht ik dan.
Maar op een dag voelde ik dan toch een heel klein beetje speling en ging meteen aan de gang om dat met mijn vingers te bevorderen. ,,Niet jutteren!”, riep mijn moeder dan maar jutteren moest ik en jutteren zou ik. (Ik weet natuurlijk best dat dat woord niet bestaat maar bij ons thuis bestond dat wel.)
Uiteindelijk heb ik ze er allemaal in minder dan geen tijd uit gewrikt. Aan de foto’s te zien was ik dolgelukkig met mijn fietsenrek.
Foto: Mieke tijdens verschillende stadia van het tanden wisselen. | foto privécollectie Mieke van der Jagt



Jopie Meerman - Ottevanger
Geplaatst op 11:13h, 06 maartMooi verhaal Mieke. Gelukkig wisten we toen nog niet hoe de tandartskosten de pan uit zouden vliegen, veel sneller dan jij je tandjes uit je mond kreeg!
Op dit moment heb ik een kleinzoon die zijn geliefde frietjes rechtstreek naar binnen kan duwen… Vanwege privacyredenen zet ik er maar geen foto bij. Maar ’t is een knapperd.