Het paeremes was persoonlijk en zei iets over je status

THEMAKRANT KLEDERDRACHT (editie 19, DECEMBER 2023)
door Margreeth Ernens

Bij de mannendracht van Walcheren en Zuid-Beveland, maar ook wel in West-Zeeuws-Vlaanderen, hoort onlosmakelijk het ‘paeremes’.

Dit mes werd in een lederen schede in een speciale zak op de naad van de broek gedragen. De andere broekspijp had een zak met daarin het ‘puupuus’, de pijpekas, het palmhouten foedraal waarin de stenen (breekbare) pijp werd opgeborgen. Beide zakken waren vaak uitbundig versierd.

Het mes werd vanaf ongeveer 1850 gebruikt bij het werk op het land, maar men maakte er ook wel de nagels mee schoon. En natuurlijk werd het mes gebruikt om bij het eten het vlees te snijden. Tegelijkertijd zei het paeremes iets over iemands status. Hoe mooier het heft was versierd, hoe welgestelder de eigenaar.

Noodzaak

Je kreeg als vijftienjarige jongen een paeremes van je vader of de boer voor wie je werkte als je een tuig paarden kon mennen. Dat was niet alleen een beloning, maar ook noodzaak, want als er eens wat mis ging moest je de touwen kunnen doorsnijden waarmee de paarden vastzaten.

Het mes was een zeer persoonlijk bezit, dat men altijd bij zich droeg aan de gordel in een schede van leer, haai- of roggevel. De rijken bezaten messen met heften van zilver en ivoor, die ze op zondag droegen (voor de werkdagen gebruikten ze een mes met een houten heft), de armen hadden houten of benen versierde heften.

Het zieltje

Het heft van een paeremes is van palm- of buxushout en is kunstig gesneden en versierd. De minder bedeelden hielden het bij een heft van het goedkopere perenhout. Bovenin staat (meestal) een span paarden. Daaronder zit de holte (het kooitje) waarin een houden knikker (de ziel) hoort te zitten. Door het zieltje in het kooitje te laten rammelen kon men horen of de goede houtsoort was gebruikt.

Buxus of palmhout is heel fijn van nerf, homogeen van structuur en keihard, dus slijtvast. De antieke kleur komt door de nabehandeling met lijnolie.

Messensnijders

Het Zeeuwse paeremes had oorspronkelijk religieuze voorstellingen. Dat werden later ploegende boeren en agrarisch gereedschap. Van een kale knop ging het naar een span paarden die met hun koppen in een voederbak staan. De bak werd weer wat later een voermand (de ‘bagge’). In de hoogtijdagen van de Zeeuwse dracht waren er zo’n honderd messensnijders (‘snikkeraars’ of beeldsnijders) actief.

Met het verdwijnen van de mannendracht in de twintigste eeuw kwam er ook een eind aan het gebruik van het boerenzakmes. Tegenwoordig worden de kenmerkende messen verzameld door liefhebbers of gekocht door toeristen.

Foto: Het paeremes. | foto’s Margreeth Ernens

Geen reacties

Geef een reactie