Verdwenen beroepen … de orgelman

THEMAKRANT MUZIEK (editie 12, APRIL 2021)

 

door Johan Francke

De orgelman verdwijnt langzaam maar zeker uit het straatbeeld, het beroep heeft zijn langste tijd gehad.

De orgelman kwam je tot eind vorige eeuw met zijn draaiorgel nog op de hoek van elke markt en kermis tegen. Het getik van de koperen centenbak ging gelijk op met de maat van de muziek. Als kleuter stond je vol verbazing naar die sierlijk gesneden houten kas (het front) te kijken die ‘vanzelf’ muziek maakte.

O wonder

De kas was in glimmende kleuren beschilderd en bovenop stonden diverse figuren in barokke kledij die – o wonder – een dirigeerstokje bewogen of met een stok op een bel sloegen. Daarachter bevond zich de klankkas met de houten of zinken orgelpijpen. Als je ouders wat centen in het bakje van de orgelman deden, mocht je de werking van dit pierement aan de achterzijde aanschouwen. Daar zat de muziekrol: het kartonnen orgelboek, dat nog het meest op brailleschrift leek. Door een groot draaiwiel te bedienen werd de muziek in werking gesteld.

Sinds 2019 hoort het draaiorgel tot het culturele erfgoed van ons land, al zal die status het verdwijnen ervan niet tegenhouden. Het draaiorgel zelf is nog helemaal niet zo oud en dateert van halverwege de negentiende eeuw. Er kan ook moderne muziek met de orgelboeken worden gedraaid. Omdat de orgels zo groot en zwaar waren, stonden ze doorgaans op een onderstel met wielen met aan één zijde een klein motortje, waarmee het apparaat in werking werd gesteld.

Orgelnamen

De grote orgels hadden vaak een naam, zoals de Sater van orgelman Theo Flohil uit Middelburg, waarmee hij de voltooide restauratie van het Belfort in Sluis opluisterde in 1960. Het orgel kwam later in handen van Chiel Gouweloos, die het restaureerde en er samen met zijn vrouw nog in de jaren ’80 mee op de Middelburgse Markt kwam. De Neptunus van de Zierikzeese orgelman Rossen was gebouwd door C.M. Minning en hij bespeelde het tot in de jaren ’70. In de jaren ’80 speelde in Vlissingen de Locarno, in Goes de Gavioli, en de Alinda in Zierikzee.

Dat de orgelman zijn pecunia ophaalt met een koperen bak kon wel eens het einde van het ambacht inluiden. Steeds minder mensen hebben contant geld bij zich en met bijdragen van vijf, tien of twintig cent is het moeilijk de schoorsteen rokend te houden. Het beroep wordt van oudsher dan ook al gecombineerd met andere ambachten.

Een bekende orgelman was Cornelis Rossen (1890-1976) die uit Essen in België afkomstig was. Samen met zijn echtgenote Johanna en knecht Maarten P. van der Have (bijnaam Maarten Koeke), die bij hen inwoonde, had hij een orgel waarmee ze op marktdagen en op zaterdag in Zierikzee kwamen. Ze hadden ook een slijpkar, waarmee ze samen met trekpaard Nellie alle dorpen op Schouwen-Duiveland afgingen om scharen en andere metalen voorwerpen te slijpen.

Geen donder aan

Toen Rossen in de jaren zeventig moest optreden in een muziekprogramma van Ted de Braak van de NCRV en werd gevraagd naar zijn interesse in draaiorgelmuziek antwoordde deze geheel onverwacht dat ‘hij er geen donder aan vond en het orgel het liefst tot puin zou slaan’. De soep werd niet zo heet gegeten als ze werd opgediend, want twee kleinzonen zetten het beroep voort. M.A. Gieskes en Cees Rossen werden orgeldraaier en scharenslijper in Zierikzee en Middelharnis.

Foto boven: Orgelman M.J. Gouweloos met zijn draaiorgel op de Markt van Middelburg, ca. 1980. | Foto: Jaap Wolterbeek, ZB, Beeldbank Zeeland, recordnr. 125785

Geen reacties

Geef een reactie