Zuiddorpe in de jaren dertig

Piet Apers uit Hulst stuurde ons een beschrijving van zijn geboortedorp Zuiddorpe in de jaren 1930 tot 1942.

door Piet Apers

Piet Apers

Zuiddorpe was 90 jaar geleden een landelijk dorp (dat in 1986 het 750 jarig bestaan heeft gevierd), gelegen in het zuiden van midden-Zeeuws-Vlaanderen op de grens met België, waar ik in 1930 ben geboren en mijn prilste kinderjaren mocht doorbrengen.

Het was de tijd van de waterpomp, de peterolielamp, en de hout-/kolenkachel.

Het gros van de werkende bevolking verdiende zijn inkomen op enige wijze (boer, knecht, arbeider) in de landbouw. Het dorp (destijds een zelfstandige gemeente met zo’n 900 inwoners) telde 30 boerderijen,  20 ambachtelijke bedrijven, 13 winkels , 18 cafés, 3 kolenboeren, 2 melkboeren,  2 veehandelaars en de Boerenleenbank.

De kerk

De kerk speelde een belangrijke rol in het dagelijks leven van de inwoners die voor bijna 100%  tot de katholieke kerk behoorden. De Zusters Franciscanessen van Oudenbosch hadden er een kleuter- en naaischool in hun klooster en ‘leverden’ de wijkzuster.

Daarnaast was het dorp tot in de wijde omtrek bekend als bedevaartsoord van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. Veel katholieke stands- en jongerenorganisaties en naburige parochies hielden er jaarlijks hun bedevaart naar de Lourdesgrot bij de kerk.

Hoogtepunt was de jaarlijkse ziekendag op 15 augustus (feestdag van Maria Hemelvaart), wanneer honderden zieken naar het dorp kwamen om van tientallen priesters de ziekenzegen te ontvangen na de processie door het dorp.

In de oktobermaand (rozenkransmaand) werd, voorafgaand aan de dagelijkse mis, het rozenhoedje gebeden. ’s  Zondags vonden twee vieringen plaats: de vroegmis en de Hoogmis. Uiteraard herinner ik me nog altijd mijn 1e Communie in 1936.

Onderwijs

Het nieuwe schooljaar begon in die tijd na de Paasvakantie. Op de laatste dag van het oude schooljaar haalde het hoofd der school (de  ‘bovenmeester’) meester Lansu, de nieuwe leerlingen op en begeleidde hen in stoet en met de vlag voorop, van de kleuterschool van zuster Rosa naar  ‘de grote school’  in de Sint

Marcusstraat  (’t Straatje’) waar ze ontvangen werden in de 1e klas door juffrouw Van Denderen. Het was nog in de tijd van het krijt en het houten zwarte schoolbord en het houten schoolbankje met inktpot en kroontjespen.

Het school(speel-)plein was onverhard en dus zeer geschikt voor spelletjes als ‘landje piek’ en knikkeren (‘tsjieperen’). De meisjes kaatsebalden naar elkaar en tegen de schoolmuren en vermaakten zich met touwtje springen. Veel kinderen kwamen op de klompen naar school.

Landbouw

De landbouw was belangrijkste bron van inkomen: men was boer of werkte bij of voor de boer. Het boerenwerk gebeurde handmatig of met paardenkracht. Met behulp van paarden werden de akkers geploegd en geëgd en later handmatig ingezaaid en gestrooid (met kunstmest). Ook de gewassen werden ‘met de hand’ geoogst:

Het graan werd gemaaid met zicht en pikhaak, de aardappelen (‘patatten’) gerooid met de riek, de bieten (‘beten’) gestoken, het gras gemaaid met de zeis en het vlas met de hand getrokken.

In de wintermaanden werd het graan dat opgeslagen was in de schuur, op de dorsvloer gedorst met de vlegel; de bieten en aardappelen werden op het boerenerf  in kuilen opgeslagen. (als voer voor de beesten). De meeste boeren hadden, behalve een of meerdere paarden,  koeien en varkens.

Levensonderhoud

Met uitzondering van een enkele ‘burger’ voorzag bijna iedereen zichzelf van de dagelijkse levensbehoeften. De meeste gezinnen hadden dan ook een varken, een geit, kippen,  konijnen, een moestuin, appel-, peren- en pruimenbomen. Veel van het varkensvlees werd bewaard in ‘de kuip’, de geit leverde melk, de moestuin groenten (ook voor in de winter: zuurkool en boontjes in de Keulse pot, peulvruchten), veel van het fruit werd op een of andere manier ‘ingemaakt’ (geweckt in glazen potten) voor gebruik in de winter.

Vrije tijd

Voor zover die er was (men werkte van maandag tot en met zaterdagmorgen) was de vrije tijd vooral op zondag.

  • Ons dorp had destijds een voetbalelftal dat (bijzonder) bestond uit zonen van boeren en middenstanders. Zij speelden op een wei bij een boer in de ‘Glazenstraat’;
  • handboogschieten (met pijl en boog) was een populaire sport. Het dorp kent het schuttersgilde van Sint Sebastiaan (opgericht in 1521) op de staande wip en een tweetal clubs die schieten op de liggende

Op de wip stonden de ‘vogels’ (hoogvogel, zijvogels, de kallen en de kleine vogels} waar de pijlen op gericht waren. Ook hier weer opvallend: de leden van Sint Sebastiaan waren boeren, burgers en middenstanders. Die van op de liggende wip arbeiders.

Hoogtepunten waren de jaarlijkse Koningsschietingen: wie de koningsvogel schoot mocht zich een jaar lang ‘koning’ noemen. Andere café-sporten waren het gaai- en staakbollen. Sommige cafés hadden daar een speciale voorziening voor: de bolbaan.

Na de missen op zondag spoedden de meeste mannen zich naar de aan het dorpsplein gelegen cafés om een potje te gaan kaarten: puken of bieden, meestal met vaste maten of om te pieren (een kegelspel). Ook het vissen op de verschillende in de omringende polders gelegen kreken (Vlieghersput en Boerengat) was een veel beoefende vrijetijdsbesteding.

De vrouwen brachten hun vrije tijd op zondag vooral door met het breien, borduur- en naai- en verstelwerk. Zuiddorpe kende al vroeg een toneelvereniging die jaarlijks een uitvoering gaf in het parochiehuis: vóór de pauze drama, erna een blijspel.

Algemeen

Zuiddorpe kende de volgende woonwijken/- buurten: ‘t  Waterhuis, Schapendijk,  Bonte Koe, Glazenstraat, Dorpstraat, de Achterstraat, de Molenhoek, de Sterre, de Oudenpolder, de Ratte, de Muis, Bosdorp;

De wekelijkse boodschappen werden gedaan op zaterdag en zondagvoormiddag bij de vooral plaatselijke winkeliers;

De meeste mensen verplaatsten zich te voet, de fiets was nog maar in opkomst en slechts zeer enkele bevoorrechten hadden een auto;

Enkele boeren hadden een ‘gerei’, een tweewielig rijtuig getrokken door een paard waarmee men zich verplaatste b.v. op zondag naar de kerk: er werd dan afgespannen bij een café;

Zelfs bij ‘rouw en trouw’ ging men te voet naar de kerk; de overledene werd door buurtbewoners naar de kerk gedragen,

De kermis in juni en de jaarmarkt zijn hoogtij- maar vooral familiedagen waar een heel jaar naar uitgekeken wordt;

Voor veel inwoners is Axel de buurgemeente voor de bijzondere inkopen: op de (boeren)markt op zaterdag en vooral  de kledingwinkels (Visser-Koole, Dey);

De geschiedenis van het dorp gaat terug tot ver vóór 1236. Daarvan getuigen o.a. de forten Sint  Jan en  Sint  Marcus;

’s  Zomers vermaakten we ons in het water van de ‘ratteput’ in de Ratte en ’s winters schaatsten we op het ‘vaardeken’ (een watertje in de buurtschap  de Muis);

Oók in de zomer gingen we ‘galnoten’ rapen onder de kastanjebomen aan de ingang van de boerderij van Puylaert  en op jacht naar ‘meulenirs’  (meikevers) in de tuinheg van boer Cockhuyt.

Het ´wegelstik´, een landelijk onverhard polderpad, verbond het dorp met de Sint Jansstraat (de ‘Zandstraat’ ).

Tot zo ver mijn prilste herinneringen aan mijn geboortedorp Zuiddorpe tussen 1930 en 1942.

Tags:
1 Reactie
  • Paul en Lilian van der Maasas
    Geplaatst op 22:22h, 25 november Beantwoorden

    Prachtig verhaal over Zuiddorpe, geschreven door een rasechte Zuiddorpenaar Piet Apers.

Geef een reactie