Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Wie schrijft die blijft en je faam gaat rond. Paul van Vliet, die eens een try out in Zierikzee gaf, -Lees meer
Mieke van der Jagt laat in haar column diverse stijlen aan kerstliedjes en -liederen de revue passeren. Persoonlijk is ze -Lees meer
Een paar oude foto's brengen de kijker terug naar de jaren zestig in Vlissingen. Veel zorgeloos vrolijke kinderen op een -Lees meer
Peter de Jonge moest indertijd nog gewoon worden gekeurd voor de militaire dienstplicht. Tot zijn teleurstelling werd hij goedgekeurd en -Lees meer
Toen Zeeland nog een PSD-bootverbinding had in plaats van een tunnel, werd er veel meer gelift. Op de boot kon -Lees meer
Frans van de Velde denkt terug aan de dag waarop zijn amandelen werden geknipt. Eenmaal weer thuis wist hij niets -Lees meer
Tijdens zijn dagelijkse fietstocht van school naar huis zag Rinus Willemsen Sinterklaas op zijn paard voor zich rijden. -Lees meer
Heeft iedere familie een voorwerp dat specifiek bij hen hoort? Jopie Meerman denkt van wel. Ze beschrijft in haar column -Lees meer
Als er iets is dat de jeugd van Johanna Brouwers heeft verpest, dan zijn het wel de halfjaarlijkse afspraken bij -Lees meer
Albert Kort laat in zijn column de verschillende fases de revue passeren van wat hij als kind en als volwassene -Lees meer
door Ali Pankow

Of ik even wilde meekomen naar de kleedkamer van Paul van Vliet, vroeg uitbater Niek van der Zwan van restaurant Mondragon/annex Concertzaal  in Zierikzee me destijds. Een opmerkelijk verzoek, ik kreeg er een kleur van.

Het was één van die heerlijke winteravonden half jaren tachtig toen we met een bevriend echtpaar veelvuldig professionele theatervoorstellingen bezochten. Dat kon toen nog gewoon in Zierikzee in een theater met 450 plaatsen.

En vooraf kon je dan genieten van een driegangen theatermenu in restaurant Mondragon. Heerlijke avonden, waar ik nog graag aan terugdenk. Die avond waarop Paul van Vliet een try-outvoorstelling van een nieuwe show gaf, blijft in mijn geheugen gegrift. Dankzij mijn werk bij de toenmalige Zierikzeesche Nieuwsbode ontmoette ik heel af en toe weleens een BN-er, maar gevraagd worden even naar de kleedkamer van Paul van Vliet te komen lag niet voor de hand. Beetje verbijsterd liet ik het theatermenu dus even voor wat het was en ging ik met Niek van der Zwan mee.

Ter plekke kreeg ik uitleg van Mister van Vliet zelf: ,,Eén van mijn muzikanten is plotseling ziek geworden, waardoor ik één lied uit mijn show moet schrappen. Het gaatje dat daardoor valt, wil ik graag opvullen met een grappige tekst over een lokale situatie. Ik begrijp dat jij me iets kunt adviseren over een actueel en liefst wat omstreden nieuwsfeit?’’ Ik hoefde niet lang na te denken, want de bouw van luxe woningen rond het Kaaskenswater in Zierikzee was omstreden en wekte felle discussies op binnen de regionale samenleving. ‘Dikdoenerij’ en ‘Alleen maar woningbouw voor patsers’, waren enkele kreten uit ingezonden brieven destijds.

Van Vliet dacht even na, knikte toen tevreden en zei: ,,Dankjewel! Daar kan ik wel wat mee.’’ Ik kon weer terug naar het theatermenu, waar mijn man en onze vrienden me afwachtend aankeken. ,,Niks bijzonders, ik heb Paul even een advies gegeven voor zijn show’’, reageerde ik lekker vaag. Het resultaat van dat ‘advies’: Na de pauze, zat de cabaretier ontspannen op de rand van het podium om de zaal vertrouwelijk toe te spreken alsof hij Zierikzee als zijn broekzak kende.  Hij had gehoord dat het nieuwe bouwproject rond het Kaaskenswater de naam ‘Kangoeroewijk’ zou krijgen. Een passende naam vond hij, want hij wist: ‘Daar maken ze grote sprongen met lege buidels.’

foto: Paul van Vliet. | foto Roy Beusker

door Mieke van der Jagt

Mag ik eens voorzichtig de Kerst-playlist aan de orde stellen? Dit heet een column dus ik mag waarschijnlijk wel ergens iets van vinden. Ik vind dus dat die eeuwig rinkelende sleebellen en het verlanglijstje van Mariah Carey uit de straat-, winkel- en etherklank moeten verdwijnen. We stikken van de prachtige liedjes die je nooit of te nimmer hoort.

Het leuke van die oude liedjes is dat ze vooral over Kerst gaan, Niet over een dennenboom of dat het moet gaan sneeuwen. Er wordt een verhaaltje verteld dat hoop moet geven en dat dan dikwijls ook nog op wonderschone melodieën.

Om te beginnen zijn er de aankondigingen: Hoe zal ik u ontvangen, Nu daagt het in het oosten en Nu zijt wellekome, de laatste twee ruim vier eeuwen oud.

Dan hebben we de verslagen: Stille Nacht, Daar is uit ’s werelds duist’re wolken, Een Roze fris ontloken en In Bethlehems stal.

Van de jubelzangen horen we alleen Hoor de eng’len zingen d’eer nog weleens door de luidsprekers maar dan in het Engels. Maar we hebben ook Eer zij God in onze dagen (voor de protestanten) en Engeltjes door ’t luchtruim zwevend (voor de katholieken). Daarmee kun je je zo lekker verliezen in het Gloria.

Even tussendoor: ik ben geen taalpurist en het mag echt wel ergens anders vandaan komen dan uit het gezangboek. Maar Cris Rea met Driving home for Christmas, Little drummerboy, de Pogues met A fairytale of NewYork, En Stop the Cavalry horen we geregeld langskomen evenals De Poppy’s. Maar Wannes van de Velde met Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten, hoor je nooit.

De mooiste van de oude liedjes zijn die waarin we rechtstreeks uitgenodigd worden om in het stalletje te komen kijken. Komt allen tezamen, Hoe leit dit kindeke [ook stokoud] en het allermooiste wat mij betreft: Komt verwondert u hier mensen. Daarin noodt een gastheer, alsof hij een kermisattractie bestiert, ons binnen in de stal, waarna hij ons in twee coupletten dichterlijk wijst op de tegenstellingen die in het kribbetje liggen. Ik schrijf het hieronder uit maar het tweede couplet laat ik weg; dat is minder mooi.

Komt verwondert u hier mensen
Ziet hoe dat u God bemint
Ziet vervuld der ziele wensen
Ziet dit nieuwgeboren kind
Ziet die ’t woord is zonder spreken
Ziet die vorst is zonder kracht
Ziet die ’t al is in gebreken
Ziet die ’t licht is in de nacht
Ziet die ’t goed is, dat zo zoet is
Wordt verstoten, wordt veracht.

O Heer Jesu, God en mensen
Die aanvaard hebt deze staat
Geef mij dat ik door uw wensen
Geef mij door uw kindsheid raad
Sterk mij door uw tere handen
Maak mij door uw kleinheid groot
Maakt mij vrij door uwe banden
Maak mij rijk door uwe nood
Maak mij blijde door uw lijden
Maak mij levend door uw dood.

foto boven: Kerststal. | foto PxHere

door Jan Dirk van Scheyen

Soms zegt een foto meer dan duizend woorden. Een oom van mijn vrouw, Wibo, werd onlangs zeventig. Op de bijgaande vrolijke kiek zit een glunderende jonge Wibo op een kar samen met een hoop andere lachende kindertjes.

Een pony vóór de kar wacht geduldig tot hij zijn vrachtje met jeugdig Vlissings ongeregeld mag gaan trekken. Wibo is herkenbaar aan zijn schattige pofbroekje met streepjes, links achter hem zit zijn grote broer Wim.

Wibo denkt zelf dat de foto is gemaakt in 1960 bij een van de evenementen tijdens de viering van het vierhonderdjarig bestaan van Vlissingen, toen de stad een jaar lang feest vierde, een feest dat zijn weerga niet kende.

Wibo weet nog dat hij een jaar of vijf was en dat het een warme dag was toen de foto werd gemaakt. De foto is genomen op de Stenen Beer, vlakbij het oude postkantoor. Zeker weten doet Wibo dat niet, maar ‘daar speelden wij altijd’, zegt hij nu.

Beter

Wat me opviel aan de foto was de vrolijke zorgeloosheid die van de kindertjes afstraalt. Tja, zou het leven toen echt beter zijn geweest dan nu?

Zeker is dat je dit soort taferelen anno 2025 niet meer zo vaak zult aantreffen in de stad. Of het moeten kinderen zijn die in een kar achter een fiets door een zuchtende en puffende pa of moe worden voortgetrokken. En zeker is ook dat je tegenwoordig niet meer zoveel zorgeloze kindersmoeltjes op straat ziet. Om de simpele reden dat er niet veel kinderen meer op straat spelen. Er was in 1960 natuurlijk ook veel minder verkeer, en niemand had een mobieltje.

De zeventigste verjaardag van Wibo werd met familie uitbundig gevierd in het Vlissingse hotel De Zeevaartschool op de boulevard. Ook zo’n plek die jou, als je er bent, decennia terugwerpt in de tijd.

Museum

Het is niet alleen een hotel maar ook een museum, want het interieur en tal van voorwerpen in hotel De Zeevaartschool zijn een tastbare herinnering aan de tijd dat in het gebouw de ‘blikken’ werden opgeleid tot stuurman of machinist. Die combinatie van modern hotelcomfort en historische pracht leverde het hotel een internationale prijs op, het werd onlangs uitgeroepen tot Heritage Design Hotel of the Year 2025.

Tijdens het feest ter gelegenheid van Wibo’s zeventigste verjaardag draaide er op een beeldscherm een ‘loop’ met allemaal foto’s van Wibo van vroeger. Op een ervan, uit 1965, prijkt de slagerij van zijn vader, Slagerij De Vries, die was gevestigd in de Walstraat. Wibo kijkt guitig de camera in tussen zijn moeder en oudere zus.

Bus

En dan komen we natuurlijk op een ander puntje dat te maken heeft met vroeger, een heikel punt in dit geval. Want Slagerij De Vries was in de jaren zestig van de vorige eeuw niet de enige slagerij in Vlissingen. Er waren er vele.

Vandaag de dag zit er in het centrum van de stad nog welgeteld één slager. En die verlangt ook terug naar vroeger. Maar niet naar heel vroeger. Hij verlangt gewoon terug naar de tijd dat hij zijn bus achter zijn winkel mocht parkeren. Want, zo heeft de gemeente bepaald, dat mag hij nu niet meer.

Laat ik daarom besluiten met een uitroep, een variant op een regel uit een zeventiende-eeuws geuzenlied: Vlissingen, let op uw zaak.

foto boven: 1960: Wibo op de kar met de andere kinderen. | foto privéarchief familie De Vries

1965: De familie De Vries in de verbouwde slagerij aan de Walstraat in Vlissingen. | foto privéarchief familie De Vries

door Peter de Jonge

Door de spanningen in de wereld wordt er in Nederland weer gedacht over invoering van de dienstplicht. Nou ja, hij is nooit afgeschaft maar sinds 1997 bestaat er geen opkomstplicht meer. Het voerde mij terug naar de jaren zeventig, toen iedere Hollandse jongen een briefje thuis ontving dat hij zich moest melden voor de dienstkeuring.

Tot mijn teleurstelling werd ik goedgekeurd, want om 14 maanden van mijn leven te vergooien met zinloos heen en weer lopen op een exercitieterrein zag ik totaal niet zitten. Hoewel er nog sprake was van de Koude Oorlog, bekogelden de Sovjet Unie en de Verenigde Staten elkaar in die tijd alleen nog een beetje met woorden. Het was de periode van ontspanning en rust tijdens de gewapende vrede van de grootmachten.

Omdat ik een HBS-diploma op zak had meende het ministerie van Defensie dat ik niet zomaar gewoon soldaat, maar zelfs leidinggevende zou kunnen worden. Dus moest ik in 1971 ook nog naar een speciale officierskeuring. Ik bracht twee dagen door in bosrijk gebied waar ik met lotgenoten in een groene overall spelletjes deed die me aan scouting herinnerden: iets nutteloos bouwen van boomstammen en op handen voeten onder een net door kuipen. Ook dit deed ik in de ogen van de legerleiding goed, waardoor nummer 41 ook hiervoor werd goedgekeurd.

Heimwee

Ik moest ik er dus aan geloven. Enkele collega’s, die een lichting voor mij zaten, onthulden dat je er best gemakkelijk onderuit kon komen. ‘Doe maar of je heimwee hebt’. Voor je het wist kreeg je S5: een verklaring dat je geestelijk niet stabiel was. Het was in linkse kringen een sport om op die manier aan de dienstplicht te ontkomen. Ik stelde mijn werkgever vooraf op de hoogte, maar die vond dat ik ‘een kerel’ zou worden door de legerdienst.

Dan maar geen kerel, dacht ik, en twee weken lang voerde ik het toneelstukje op dat ik mijn geboortegrond enorm miste. Dat ik in die periode wel gewoon op vakantie ging en voor mijn werk op plaatsen ver buiten mijn woonplaats verbleef, wist de dienstdoende sergeant niet. Hij schreeuwde wat onduidelijke bevelen, die ik met ogen vol onbegrip niet of bewust verkeerd uitvoerde en na tien dagen zat ik al bij een (dienstplichtige) psycholoog die zei te weten waarmee ik bezig was, waarna hij me netjes afkeurde. Drie weken later was ik weer burger. Mijn lange haren waren kortgeknipt, maar dat was het enige dat ik het leger — met tegenzin — had geschonken.

Dwaze leiders

Of ik het met de kennis nu weer zo zou doen? Nee. Na meer dan een halve eeuw vrede in het westen weten we nu dat er altijd dwaze leiders zullen zijn, die denken dat ze met wapens en ten koste van ontelbare mensenlevens gebieden kunnen inpikken.

foto: Samen met mijn lotgenoten op de foto. We waren slechts nummers in het leger, ik was 41. | foto privéarchief Peter de Jonge

door Peter Verdurmen

Er is geen regeringsbesluit aan te pas gekomen. Niemand heeft liften verboden. Toch zie je nauwelijks meer lifters. Dat was in de jaren zestig wel anders.

Het zou een scene kunnen zijn uit een spannende film, met een goede afloop, gelukkig wel.

Ik steek m’n duim omhoog. Er stopt een vriendelijke Belg. Ja, ik moet die richting uit, stap maar in. Hij heeft haast. Het gaspedaal wordt diep ingedrukt. De snelheidsmeter schiet in het rood.
Helemaal gerust ben ik er niet op. In de dichte mist zie je geen hand voor ogen. Voorbij Zaamslag, in de middle of nowhere, vraag ik de man om te stoppen. Hier moet ik zijn meneer. Bedankt en tot ziens. Oef! M’n beschermengel ben ik eeuwig dankbaar.

Er waren ook andere risico’s. Wie naar school liftte, ik pakte braaf de fiets, riskeerde een flinke reprimande. ‘Mevrouw, niemand stopte voor me’ komt in het smoezenboek niet voor. Als lifter moest je iets anders bedenken om mee weg te komen als je te laat was.

Een leuke kant van liften: je ziet nog wat van Nederland. De Loosdrechtse en Vinkeveense Plassen bijvoorbeeld. Moest ik helemaal niet zijn, de vertegenwoordiger die me op de boot een lift gaf wel.

Pech hebben we ook wel eens gehad, nou pech, we hadden beter moeten opletten. Op zondagmorgen stonden we bij een uitvalsweg van Breda te liften richting Zeeland. Zo konden we als zuunige Zeeuwen mooi een treinkaartje uitsparen. Na een uur, je moet geduld hebben als lifter, stopt er eindelijk een auto. Waar moeten jullie naar toe jongens? Naar Zeeland meneer. Nou, da’s pech, jullie staan richting Rotterdam te liften….We hebben toen toch maar de trein gepakt.

foto: Het veerplein in Breskens: Afscheid van de PSD, toen liften nog heel gewoon was en ook een stuk makkelijker als je de boot nam. | foto Peter Verdurmen

door Frans van de Velde

Toen ik onlangs in ‘mijn’ ziekenhuis Bethesda in Vlissingen moest zijn en al wekenlang allerlei mensen om me heen zag en hoorde niezen, proesten en snuiten, dacht ik aan mijn eerste welbewuste ingreep aldaar.

Net als alle leeftijdsgenootjes op school en in de wijk had ik een lange periode van flinke verkoudheid moeten doorstaan. Het werd tijd voor harde maatregelen, aldus mijn ouders en dokter Sluiter. En dus werd het de gang naar het ziekenhuis om mijn keelamandelen te laten knippen. Dat zou helpen. Niet dat geholpen patiëntjes juichend op het schoolplein arriveerden; niet dat er een echte verklaring voor de genezing rondging; niet dat ik het zelf nodig vond: neen, het gebeurde gewoon. Of het mij nou echt heeft genezen vertelt de geschiedenis niet.

Vanaf dat moment stond het ziekenhuis gelijk aan de verdoving die je kreeg als er een kap met ether over je neus werd geschoven. Weg was je! Die ethergeur – ik heb het al eerder gememoreerd – hing nu eenmaal in het ziekenhuis en dat is naar mijn gevoel heel lang gebleven.

Deze ‘knipbeurt’ gebeurde tegen de zomer, aan het begin van een zonovergoten, warme middag. Ik was na het ziekenhuis alleen thuis en er waren geen vriendjes thuis of op straat. Die zullen vast op het strand hebben gezeten en wellicht een paar op de tennisbaan.

Wat ging ik doen? Ik kon niks leuks bedenken, ging in huis wat zoeken en vond een flink blok hout met een lang elastiek met een gummiballetje eraan. Het heette jokari of zo. Je legde het op straat en sloeg het balletje met een slaghout weg. Een leuk spel en best wel lastig, zeker als je de bal goed raakte want dan kwam die keihard terug. Nou: dat gebeurde prompt en ik lag op straat. En nog eens. Ik had het warm, was een beetje duizelig en toen ik voor alle zekerheid toch maar even op bed ging liggen herinnerde ik me pas de vermanende woorden van de zuster in het ziekenhuis: ‘en vanmiddag rustig aan hoor’.

Het werd een slechte zomermiddag. De Donald Duck had ik al uit en radio Veronica interesseerde me niet. En het boek, dat ik aan het lezen was, kon me ook niet boeien. Heel anders dan ’s avonds in bed, als ik onder de dekens met een zaklamp lag te lezen en regelmatig door mijn vader werd betrapt en tevergeefs werd berispt.

Nee: het werd een klassieke middag van algehele chagrijn en verveling. Met dank aan de amandelen.

foto: Zo ziet het spel er tegenwoordig uit.

door Rinus Willemsen

’t Was eind november. Nevelig en bijna windstil toen ik naar Terneuzen reed. Natuurlijk door de Braakman. De bekende weg, waarover ik dagelijks uit Biervliet naar de middelbare school reed. Ik kende de weg op mijn duimpje. Iedere boom in de berm, iedere put in de weg en elke losse tegel in het fietspad. Ik kon werkelijk alles blindelings aanwijzen.

Die zaterdagmiddag fietste ik terug naar huis. In mijn tas cadeautjes voor Sinterklaas. Ik had er een hele middag voor uitgetrokken. De gedichtjes had ik al in mijn hoofd. Ook al waren het nog maar flarden, ik wist dat goed zou komen.

Eerst een stukje langs de zeedijk en dan de bocht om langs een paar boerderijen. Een late boer was nog aan het ploegen. Een grote zwerm meeuwen volgde krijsend de tractor. Een prachtig gezicht. Een eindje verder dook de weg omlaag en passeerde ik een brede kreek. ,,Dat was vroeger vóór de inpoldering, de Westgeul geweest’’, had eens een oude man tegen me gezegd. ,,Daarin zat vroeger veel stroming. Die scheepjes van Philippine kregen daar flinke vaart.”

En terwijl ik me dat probeerde voor te stellen en naar het stille nevelige watertje keek, zag ik hem opeens voor me op de weg. Sinterklaas. Rechtop op  een boerenpaard. Statig als een bisschop. De mijter waardig op zijn hoofd. De grijze haren vielen wijd op zijn mantel, die prachtig gedrapeerd over zijn paard lag. Rustig stapte het edele dier voor me uit. Ik twijfelde er niet aan dat hij mij al gehoord had. De sint in elk geval niet. Anders had hij zich wel omgekeerd.

Ik reed er een minuutje achter: sint en paard. Ze vormden één geheel. Misschien hadden ze de afgelopen weken ook wel samen geploegd en vierden ze nu hun vrije middag.

Toen ik passeerde wuifde ik naar de sint. Die knikte vriendelijk vanuit de hoogte en wenste me een mooie avond.

Toen ik even later het dorp inreed, sprongen net de lantaarnpalen aan. De avond begon snel te vallen.

Aan dit alles moest ik denken toen ik mijn stukje zat te typen. Echt gebeurd.

door Jopie Meerman-Ottevanger

Volgens mij heeft elk familie wel iets in haar bezit wat echt bij hen hoort. Een voorwerp dat iedereen kent, niet alleen het eigen gezin maar ook degenen die op welke manier dan ook, met hen te maken hebben.

Zo hebben wij, de familie Ottevanger, een schelp. Niet zomaar ’n schelp, maar De Schelp. Het is een grote witte doopvontschelp die mijn vader als 20-jarige kocht bij een visboer. Pa was van 1916, en de schelp pronkt nu nog steeds in de tuin bij een van zijn kleinzoons. Zo oud dus.

Dat grote ding – tegenwoordig zou de schelp in geen geval meer ingevoerd kunnen worden – heeft in al die jaren veel omzwervingen gemaakt.

De naam komt van het gebruik in de kerk waar hij als doopvont werd gebruikt. Het is de schaal van het zwaarste schelpdier, kan een gewicht van 260 kg bereiken en een lengte van anderhalve meter.

De randen van de schelp zijn inmiddels afgebrokkeld, maar in zijn glorietijd pronkte hij in de tuin bij mijn ouders, een dankbaar foto-object. Mijn jongere broer, helaas is hij overleden, werd verteld dat hij niet was geboren, maar in die schelp gevonden was. We hadden de foto als bewijs. Het bijzondere attribuut uit de Indische en westelijke Grote Oceaan werd ook een keer aan de Thoolse braderie uitgeleend  waar het gewicht geraden kon worden. Toen was het nog bijna 40 kg. Weer eens wat anders dan knikkers in een pot.

Maar voor de reuzenoester, of tridacna giga, was niet overal plaats en bij de voorbijgangers in de Molenvlietsestraat in Tholen raakte de bijzondere schelp uit beeld toen moeder naar een serviceflat ging. Mijn broer was de nieuwe bezitter, maar toen ook hij naar een appartement ging, kwam de schelp in onze tuin terecht. Tot ook wij naar een appartement gingen, broerlief weer een huis aan het water  kocht en de schelp dáár een mooi plekje kreeg.

Toen een van onze kleinzoons op school een spreekbeurt hield over onze schaal van de reuzenoester, bleef de monsterschelp na afloop bij onze jongste zoon achter. Sindsdien ligt de schelp nu dáár te pronk. Hij is dus nog steeds in de familie.

Onlangs plaatste ik een foto van ons familiebezit op mijn Facebook. Ik kreeg meteen diverse reacties.

Kijk, dat bedoel ik dus met ‘iets wat bij de familie hoort’.

foto boven: Broer Leen Ottevanger in de schelp. | foto’s privéarchief familie Ottevanger

door Johanna Brouwer

Als er nou iets is wat m’n jeugd grondig heeft verpest, dan is het toch wel de tandarts. En dan vooral de halfjaarlijkse bezoekjes aan die man, meestal gevolgd door een vervolgafspraak.

Johanna’s afsprakenkaart van de tandarts.

Omdat mijn moeder al op haar achttiende een kunstgebit had, waakte ze ervoor dat mij hetzelfde zou overkomen. Op advies van de huisarts kreeg ik om te beginnen al iedere avond na het tandenpoetsen een kalktablet. Daar kreeg je een vieze smaak van in je mond en om dat weg te poetsen kreeg ik een knoopdropje. Want drop was niet zoet en daarom geen snoep vond mijn moeder. (Het zijn de jaren vijftig he.)

En ieder half jaar naar de tandarts. Die woonde in een statig pand aan een van de Middelburgse kaaien. In de vroegere voorkamer was een wachtkamer met banken en stoelen met rieten zittingen. Aan de muur hingen ingelijste prenten van kiezen die op een brancard weggedragen werden en andere opwekkende afbeeldingen. Ook stond er een tafeltje met leeswerk, meestal stukgelezen oude tijdschriften.

In de achterkamer was de praktijk ondergebracht. Een kolossale stoel die met een voetpedaal omhoog gepompt kon worden en aan de rechterkant een metalen zuil waaraan de boren hingen en allerlei haakjes en kleine spiegeltjes op een steeltje. Er zaten ook geëmailleerde bordjes aan de zuil waarop o.a. ‘speed’ stond.

Vanuit de stoel had je een schitterend uitzicht over de diepe, ommuurde tuin. Boven de achterste muur torende de Lange Jan. Dat uitzicht duurde maar even, want zodra je je mond moest opendoen, zag je alleen nog het plafond.

Met een haakje peuterde man tussen je tanden en kiezen en tussendoor mompelde hij vaktermen richting de assistente die ook in de praktijkkamer rondliep. Ook zei hij ‘maak maar aan’ en dat betekende dat de assistente de vullingen klaar moest maken. Die kneedde ze in een soort rubberen speentje. Voordat die vullingen in m’n kiezen terecht kwamen, ging hij met de boren aan de gang. Dat voelde je tot in je knieholte, vreselijk. Want verdoven deed de man alleen wanneer er een kies getrokken moest worden.

Toen ik eenmaal naar de lagere school ging, vonden mijn ouders dat ik ook wel zelf naar de tandarts kon op woensdagmiddag. Dan ging ik meteen uit school in de wachtkamer zitten die dan meestal al halfvol zat. Daar at ik mijn brood op en in de wc poetste ik mijn tanden. Vervolgens las ik alle Donald Ducks van het voorgaande halve jaar en wachtte met bonzend hart tot ik aan de beurt was.

Nu ben ik 71 en ik ga nog steeds niet op controle zonder eerst twee paracetamollen naar binnen te werken.

foto boven: De gevreesde tandartsstoel zoals die in de jaren zeventig overal werd gebruikt. | foto Facebook

door Albert Kort

‘Een echte boekenwurm’. Dat kreeg ik al op piepjonge leeftijd te horen. Ik kon het moeilijk ontkennen, want in vergelijking met mijn vriendjes las ik heel veel. Terwijl zij bezig waren met een spelletje knikkeren of een potje voetbal zat ik op zolder, in mijn eentje en genietend van al mijn lectuur.

Op school kreeg ik de Taptoe, een katholiek blad met een nogal stichtelijk karakter. Verplichte kost voor iemand die een school bezocht waar paters en nonnen de scepter zwaaiden. Dan was de Sjors, die iedere week bij ons in de brievenbus lag, veel leuker. En dat kwam niet alleen door de avonturen die Sjors en zijn vriendje Sjimmie beleefden. Wat de lachlust opwekte, was de wijze waarop Sjimmie werd uitgebeeld, namelijk als een jongetje met dik kroeshaar, dikke lippen, een bot door zijn neus, en gehuld in een rieten rokje. Het zou in onze tijd niet meer kunnen. Toen wist ik niet beter en kon ik er alleen om lachen. Ook het stripblad ‘Billie Turf’ vond ik geweldig. Dat dikke en stoute mannetje, dat op de kostschool waar hij zat kattenkwaad uithaalde en een nagel was aan de doodkist van meester Kwel. Kostelijk!

Toen ik een jaar of tien was, liet ik de stripboekjes voor wat ze waren en ging ik ‘echte’ boeken lezen, dat wil zeggen boeken zonder plaatjes. Het was even wennen, maar mijn geduld werd beloond. Want wat was en is er nu mooier dan geschreven teksten omzetten in eigen beelden? Neem de pockets van Karl May, waarin de avonturen van Old Shatterhand en Winnetou worden beschreven. Al lezend kwam het ‘Wilde Westen’ tot leven en zag ik mezelf op een paard door de woestijn reizen, op mijn hoede voor de vele gevaren die daar op de loer lagen. De complete serie van Karl May’s boeken (vijftig stuks) staat nog steeds in mijn boekenkast. Het zijn volgens mij de enige boeken die de vele verhuizingen hebben overleefd.

Ook op de middelbare school hield mijn leeslust niet op. Voor de talen waren bepaalde boeken verplicht en sommigen uit mijn klas gruwden daarvan. Voor mij was dat echter geen enkel probleem, die boeken verruimden je blik en interesse alleen maar. Ik weet dat ik bij het vak Nederlands gegrepen werd door het werk van de magisch realist Hubert Lampo. Surrealistisch en bij tijd en wijle onbegrijpelijk, maar toch leuk. En ook de verhalen van Louis Paul Boon gingen er in als koek. Zijn maatschappijkritische romans hebben zeker bijgedragen tot mijn interesse in sociale geschiedenis.