Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Frans van de Velde vond het als jongetje spannend om op vrijdagmiddag naar de Nieuwendijk in Vlissingen te gaan. Daar -Lees meer
Johanna Brouwer mocht als kind logeren in Westkapelle bij haar tante en haar gezin. Strand en zee waren de favoriete -Lees meer
Bladerend in het familiealbum ziet Albert Kort vooral foto's van bijzondere dagen, zoals feestjes en natuurlijk de familieuitstapjes. -Lees meer
Allie Barth werkte in de jaren tachtig bij het gemeentearchief van Goes. Het gebouw was 's winters slecht warm te -Lees meer
Margreeth Ernens mocht als kind elke zomer een weekje logeren bij haar tante Bets in Middelburg. Het hoogtepunt van die -Lees meer
Ali Pankow spaarde als kind bij de Boerenleenbank in Numansdorp. Dat was ver weg, dus als de inhoud van de -Lees meer
Mieke van der Jagt maakte onlangs verkleedkleren voor een nichtje. Maar er blijkt in de loop der jaren heel veel -Lees meer
Peter de Jonge ging als dertienjarige naar de televisieopnamen van Top of Flop in hotel Brittannia in Vlissingen. -Lees meer
Eiind jaren zestig vermaakte de IJzendijkse tienerjeugd zich in de plaatselijke frituur met de jukebox die daar stond. Vooral het -Lees meer
Jopie Meerman was in de jaren tachtig correspondente voor verschillende kranten. Het bracht haar op een dag bij de elektronicazaak -Lees meer
door Frans van de Velde

Op vrijdagmiddag fietste ik als jongetje graag naar de Nieuwendijk in Vlissingen. Vanaf de hoek Badhuisstraat zo rechtdoor de Walstraat in. Nou, nee, eerst even om het mini-Betje Wolffplein met zijn klok in het midden draaien. Rechtuit, met links de prachtige Scheldemuur en rechts bakkerij Speckens werd de straat smal en kwam je best vaak auto’s tegen. Het was opletten geblazen.

Misschien was even omrijden wel handiger, dus bij Betje Wolff naar rechts richting oprit en links de Noordstraat in. Of beter: pas bij de bios linksaf en dan als een speer naar het Bellamypark waar je aan het eind werd opgewacht door Frans Naerebout. Daarachter, op het hoekje van de Vissershaven, vond de wekelijkse voorstelling plaats. De kade lag vol met vissersschepen en daar werden de viskarren gevuld. Stoere vrouwen in fraaie klederdracht met stevige, blote armen trokken daar klanten aan door keihard te schreeuwen. SCHARRETJOEOEOE!!!!! Ik vond het prachtig, maar was stiekem ook een beetje bang. En het stonk er ernstig naar vis: een geur die zich aandient als ik in stripalbum Asterix de oproep ‘verse vis’ tegenkom.

Anno 2025 herinnert visverkoper Henk Marijs op het Rondeel nog aan die tijden. Wel vanuit een weerbestendige moderne verkoopwagen en daardoor ook vaak open. Vrijdag 9 mei was aan hem de eer een uiterst fraaie muurschildering toe te lichten. Met de ARM-5 als middelpunt vertelde hij over de fraaie zeilende vissersschepen en hun bemanningen met zo’n gevaarlijk, zwaar beroep en mooie historie.

De indrukwekkende mural vindt u  op de achtergevel van appartementencomplex De Nieuwe Haven (de Dobberende Dozen) nabij de Zeilmarkt. De VvE (Vereniging van Eigenaren) vond die gevel aan de Nieuwstraat te kaal en nam het initiatief voor een kunstwerk. Het is de maker Stefan Thelen erg goed gelukt de oude Vissershaven terug te brengen en daarbij de twee ramen in de gevel (zie de foto) geen grote rol te laten spelen. Henk had de lol na zijn praatje samen met de burgemeester een kleine gedenkplaat te onthullen. En Vlissingen heeft er een fantastisch kunstwerk in de openbare ruimte bijgekregen.

foto: De Vissershaven-op-maat op de achtergevel van appartementencomplex De Nieuwe Haven in Vlissingen. | foto Frans van de Velde

door Johanna Brouwer

Als je ouders een boerderij hebben, zit een vakantie er in de jaren ’50 niet in. Een dagje weg, dat kan nog net, maar een nacht van huis wordt al snel problematisch als er dieren zijn die verzorgd moeten worden. Om mij toch van enig vakantiegevoel te voorzien, mag ik in de zomer gaan logeren bij familie in Westkapelle.

Mama zet mij ’s morgens op de Middelburgse Loskade op de bus met een tasje en de mededeling ‘bij De Valk moet ze eruit’ en dan weet de buschauffeur voldoende. Ik ben een meisje van vijf jaar en ik vind het nog best spannend, zo alleen in de bus. Gelukkig zie ik na een poosje in de verte de vuurtoren al, en dan weet ik dat de bus er al bijna is. De chauffeur hoeft me dan ook niet te attenderen als we het dorp binnenrijden: ik sta al bij de uitgang met m’n tas. Tante Katrien staat me op te wachten en neemt me mee naar hun huis, waarin ook mijn oom en twee nichtjes wonen, dat is gezellig.

En er wonen niet alleen nichtjes, in de voorkamer logeert een Duitse familie, badgasten zijn dat. Tante voorziet ze van eten en drinken en er is ook een opklapbed neergezet waarop de gasten kunnen slapen.
Ik slaap gezellig bij een nichtje op de zolder, samen in een groot bed.

Dé attractie van de logeerpartij is natuurlijk het strand en de zee. Vooral het strand, want omdat ik nog niet zwemmen kan, is de zee verboden terrein. Bovendien heb ik geen badpak, maar een korte broek. Alleen voeten wassen in de zee is toegestaan, maar daar is weinig aan.
Topattractie is die zomer de kustvaarder Pax, die een paar weken eerder bij een flinke zomerstorm uit de koers is geraakt en op het strand terecht is gekomen. Het schip ligt muurvast in het zand en je kunt er gewoon naartoe lopen en er je hand tegenaan leggen.

Er spelen veel kinderen rondom het schip. We graven kanalen en bouwen dammen die het opkomende water tegen moeten houden. Als we er genoeg van hebben, gaan we mooie schelpen zoeken en krabben. Die gaan dan later in een pan met kokend water en eindigen als broodbeleg.

Leuk hoor logeren.

foto: De foto is gemaakt door mijn ‘tante Nee Wanne’, Neeltje Flipse-Roelse. Het meisje met de korte broek ben ik.

door Albert Kort

Albert en zijn broer Gerard voeren de olifant in Blijdorp.

Het zijn altijd weer de bijzondere dingen in het leven die we proberen vast te leggen. Neem nu een fotojaarboek van een school.

Als je denkt dat je daarin plaatjes ziet van de dagelijkse onderwijspraktijk, kom je bedrogen uit. Het zijn vrijwel altijd de uitzonderlijke gebeurtenissen tijdens het leerjaar, zoals een schoolreisje, een sportdag of een feestje waarvoor in zo’n boek plaats is ingeruimd.

Met een familie-album is het niet anders. Ook daarin vind je weinig anders dan plaatjes van verjaardagsfeesten, een uitje naar een pretpark of een vakantie. In de fotoboeken van vroeger nog meer dan in de digitale albums van nu, want toen waren dat soort evenementen nog bijzonder.

Als ik door het album van mijn familie blader, stuit ik op plaatjes van een dagje naar de Efteling en bezoekjes aan diergaarde Blijdorp in Rotterdam. En, niet te vergeten, op foto’s van de dagen die we aan het strand op Walcheren doorbrachten

Al die fotootjes roepen herinneringen op aan je jeugdjaren, waar je met weemoed op terugblikt. Misschien was het eerste bezoek aan Blijdorp wel het uitstapje dat de meeste indruk op me heeft gemaakt. Ik herinner me nog goed dat we er met de trein naar toegingen en op het centraal station uitstapten om vervolgens naar de dierentuin te lopen. Nadat mijn vader kaartjes had gekocht, mochten we naar binnen en liepen langs kooien met krijsende apen die bij de voorbijgangers om nootjes bedelden. En die kregen ze in de meeste gevallen ook, tenslotte mocht je toen nog onbeperkt dieren voederen. Hetzelfde gold voor de olifanten die soms op het meest vreemdsoortige voedsel werden getrakteerd. Wat te denken van een truitje of een boodschappentas die in de maag van zo’n dier werd aangetroffen? Was het opzet, of was het toch de kracht van de slurf die de toeschouwer had verrast? We zullen er nooit meer achterkomen.

Broer Gerard (links) en Albert turen naar het geheimzinnige heksenhuisje in de Efteling.

Ook het bezoek aan de Efteling is me bijgebleven. We zagen Langnek en Hollebolle Gijs die om papier smeekte. Diepe indruk maakte ook het snoephuisje van de heks. Op het eerste gezicht een lieftallig huisje. Maar bewoond door een heks die tegen het huisje een hok had gebouwd, waarin Hans was opgesloten en daarin werd vetgemest om te worden opgepeuzeld!
Terwijl ik uit de verhalen op de kleuterschool had begrepen dat dergelijke dingen alleen bij de ‘negertjes’ in Afrika gebeurde…

foto boven: Vader en zoon Kort zitten vlakbij de giraffen in Blijdorp. | foto’s privéarchief Albert Kort

door Allie Barth

In de jaren tachtig van de vorige eeuw werkte ik bij het gemeentearchief van Goes. Dat was gehuisvest in een oude school aan de Wijngaardstraat. Oud papier in een oud gebouw.

In de winter was het nauwelijks warm te krijgen. Geen wonder met een grote verwarmingsketel van gietijzer die nauwelijks warmte gaf. Vaak was het zo, dat het gebouw bij binnenkomst, in de wintermaanden, steenkoud was. Dan had de verwarming het begeven. Bellen naar de gemeente, die dan weer een  monteur liet opdraven. Die man was dat op een gegeven moment zat. Hij haalde mij erbij en vertelde me, dat het weer aan de gang helpen van de verwarming ook op eenvoudige wijze door ons kon worden gedaan. Op mijn “hoe dan?” gaf hij als antwoord een trap tegen de elektromotor voor de ketel, die daarop aansprong. ,,Zo simpel is het”, vertelde hij.

Dat werkte inderdaad. Op de vraag van de gemeentearchivaris gaf ik ten antwoord dat het voortaan voldoende was om een schop  tegen de verwarming te geven, wanneer het bij binnenkomst koud was in het gebouw.

Toen na enkele weken het bij de entree koud was – het vroor inmiddels – en de archivaris om half acht in de morgen het gebouw betrad, bedacht hij dat het voldoende was om een schop tegen de installatie te geven. Hij spoedde zich naar de verwarmingskelder en gaf een schop. Kreunend van pijn sprak hij enkele woorden die hij normaliter nooit gebruikte. Hij had niet de motor een trap gegeven, maar de gietijzeren ketel. Toen ik een half uur later het gebouw binnenkwam, riep hij me. Zittend op een oude stoel in de kelder. Het lukte me met veel moeite om hem naar zijn kamer te brengen. Zelf lopen kon hij niet. Bezoek aan zijn huisarts en daarna aan het ziekenhuis bracht enkele kneuzingen aan het licht, waardoor hij noodgedwongen een week met voet en been op een stoel moest blijven zitten. Het kwam gelukkig allemaal weer goed.

foto: De toegangsdeur tot het oude gemeentearchief. Tegenwoordig is het een rechtstreeks toegang naar het restaurant dat in het voormalige gemeentearchief is gevestigd. | foto gemeentearchief Goes

door Margreeth Ernens-Abrahamse

Ik ben vernoemd naar twee zussen van mijn vader: Margaretha naar tante Gré en Elizabeth naar tante Bets. Ze woonden allebei in Middelburg en geregeld werden over en weer bezoekjes afgelegd.

Van heel jong af aan mocht ik elke zomer een weekje logeren bij tante Bets. Mijn vader bracht me dan met de auto. Van Terneuzen eerst naar Breskens, daar met de pont over en vervolgens langs het kanaal naar Middelburg. Dat reisje met z’n tweetjes vond ik veel leuker dan wanneer de auto vol zat met het hele gezin.

Ik keek altijd uit naar mijn jaarlijkse logeerpartijtje. Tante Bets was een heel lief en gezellig mens en ik was dol op haar. Tante Bets en ome Piet woonden achter de Koepoort in Nieuw-Middelburg in de ‘rooie buurt’. Dat ‘rooie’ ontging mij ten enenmale, want alle voordeuren waren lichtblauw geverfd en nergens was iets roods te bekennen.

De eendenkooi in de Noordsingel, een prachtig ‘buitenhuis’.

Mijn neef Rudy en nicht Ineke waren begin jaren zestig al volwassen, maar woonden nog wel thuis. Tante Bets en ik deden van alles samen. Samen koken (staande op een stoel mocht ik roeren in de pannen en onderwijl zongen we liedjes), samen een kleurplaat inkleuren (tante Bets deed heel precies voor hoe ik binnen de lijntjes kon blijven), samen wandelen, samen naar de markt op donderdag.

Het hoogtepunt van ieder logeerpartijtje was een bezoek aan de ‘kleine huisjes’ op het Molenwater, waar vooral het brandende huis indruk maakte. Vlakbij het huis van tante Bets lag de singel met daarin eendenkooien en dat waren in mijn fantasie de buitenhuizen van de ‘kleine huisjes’. Miniatuur Walcheren is jaren geleden al verdwenen van het Molenwater, maar als ik langs de singels in Middelburg fiets zie ik daar altijd nog ‘de buitenhuizen’ in het water liggen. Sommige dingen veranderen gelukkig nooit.

1960: De Prins Hendrikstraat in de nieuwbouwwijk Nieuw-Middelburg, waar tante Bets en ome Piet woonden. Alle huisdeuren hadden een blauwe deur. | foto Piet Vreke, Beeldbank recordnummer 153.

Ik ben ook eens hopeloos verdwaald in Middelburg. Rudy ging dagelijks op de fiets naar het postkantoor in het centrum waar hij werkte. Op een mooie dag nam hij me ’s morgens mee. ,,Jij krijgt een ijsje van mij!’’ De ijssalon bleek echter op dat vroege tijdstip nog gesloten en Rudy fietste haastig verder naar zijn werk, het aan mij, vijf jaar jong, overlatend de weg terug te vinden. Alle straten zagen er hetzelfde uit met die blauwe deuren. Ik moet uren moedeloos hebben gedwaald eer een mevrouw me bij de hand nam om mijn tante Bets te zoeken. Die fietste inmiddels doodongerust de hele buurt door op zoek naar mij. Toen ik haar zag was het leed snel geleden.

Wanneer mijn vader me kwam ophalen vroeg hij altijd plagend of ik goed naar Malle Betje had geluisterd. Hij was er natuurlijk op uit zijn zus op de kast te krijgen (en dat lukte altijd). Ik snapte de opmerking nooit tot ik er jaren later achter kwam dat hij daarmee doelde op de stadhuistoren, die de bijnaam Malle Betje heeft omdat de klok altijd achterloopt bij die van de Lange Jan.

Foto boven: De laatste keer dat ik Miniatuur Walcheren op het Molenwater bezocht was in juni 2006. Achter de mini-Lange Jan staat de echte grote Lange Jan. Het park is in 2009 verhuisd naar Mini Mundi. | foto Margreeth Ernens

door Ali Pankow

De Boerenleenbank….de naam alleen al maakte op mij als kind diepe indruk. Bij het betreden van het monumentale gebouw hield ik zelfs mijn adem een beetje in. Het betrof een jaarlijks uitstapje: Op een middag in september ging ik met mijn moeder daar de inhoud van mijn spaarpot van het afgelopen jaar laten bijschrijven op mijn spaarbankboekje.

Voor haar had dat ook alles met traditie uit haar eigen kindertijd te maken. Vandaar wellicht dat ook ik als kleine spaarder geregistreerd stond bij die Boerenleenbank in Numansdorp, de woonplaats van mijn grootouders en mijn moeders geboorteplek. De reis er naartoe maakte het extra bijzonder. Maar vooral ook alles wat eraan vooraf ging.

Het ledigen van mijn spaarpot bijvoorbeeld was een ritueel op zich. Veel liever had ik zo’n grappig model gehad met een mechanisme waarbij een soort tong naar buiten kwam.  Daar legde je dan een muntje op dat vervolgens gretig werd ingeslikt. Als kind kun je daar veel lol in hebben en diverse exemplaren heb ik dan ook letterlijk ‘versleten’.  Want die spaarpotten met zo’n  mechanisme bleken slappe dingen, niet geschikt voor een groeiende hoeveelheid stuivers, dubbeltjes, kwartjes en guldens gedurende een heel jaar. Dat werd veel te zwaar en dan zakte de bodem er letterlijk uit. Wat een getob!

Een stevig spaarblik met gleuf, maar zonder mogelijkheid het simpel te openen.

Als praktisch alternatief kwam er een degelijk spaarblik met bovenin een gleuf. Vrolijk gekleurd, dat wel, maar … zonder simpele mogelijkheid het blik te openen. Dus voor het jaarlijkse ledigen, kwam nogal wat kijken. Dan moest het mes erin gezet worden. Met een boterhammesje als glijbaan in die gleuf en de spaarpot op z’n kop houdend, rolden de muntjes spontaan op tafel. Tenminste in het begin, want als het spaarblik steeds leger raakte, werd het veel moeilijker ook de laatste geldstukjes naar buiten te krijgen.

Mijn vader keek onze verwoede pogingen dan eens aan en stelde elk jaar voor: ,,Zal ik er nou maar gewoon de blikopener op zetten?.’’ ,,Nee!!!’’’, riepen mijn moeder en ik dan altijd. Blijkbaar hechtten we aan dat gedoe met dat mes en aan het behoud van het stevige spaarblik. Rituelen zijn er immers om te koesteren.

Foto boven: Een ouderwetse, vrolijke spaarpot met een mechanisme om muntjes in te slikken.

door Mieke van der Jagt

Verkleedspullen wilde mijn nichtje voor haar verjaardag, De verkleedkist kreeg ze van haar ouders die hem prachtig hadden beschilderd. Ha, leuk, dacht ik. Kon ik eindelijk weer eens los gaan met iets anders dan een stuk verantwoord speelgoed uit de winkel of een bijdrage voor een uitje.

Dus ik aan de slag met spullen van de kringloop: plooiband afgetornd van vitrages, uitbundig gekleurde lappen gezoomd, rare sjaals gewassen en gekke mandjes gevonden die heel goed op een kinderhoofd passen. Om het gemakkelijk te maken knopen gezet aan verschillende lengtes en kleuren knoopsgatenelastiek.

Helemaal fout, bleek op de feestelijke dag. Van alle kanten werden onesies binnengebracht: tijgeronesies, krokodillenonesies, eenhoornonesies en verschillende roze dingen die onontbeerlijk bleken om een prinses te worden. Ik vroeg me af of de gulle gevers ook, net als ik, de spullen op brandbaarheid hadden getest.

Nou ja: nichtje blij en ik weer wat geleerd. Verkleden moet tegenwoordig snel gaan en het geeft niet als je er uit groeit, Dan komen er gewoon weer nieuwe onesies (wat ik overigens hardnekkig blijf uitspreken  als oneesies), nieuwe prinsessenjurken en iets grotere plastic kroontjes.

Op het gevaar af voor een ouwe zeur te worden versleten: iets meer beroep op de creativiteit lijkt me wel gepast voor de verkleedkist. Wij vochten vroeger om de vitrages  en een gehaakte sprei want wie die had, kon de bruid spelen. Moest je wel eerst een hele tijd in de weer met wasknijpers en veiligheidsspelden. Hoe je je ook verkleedde en met wat dan ook; je was een heel poosje bezig en je moest elkaar helpen. Het spel duurde aanmerkelijk langer dan hup, in een onesie springen, rits dicht en klaar.

Het is jammer dat er nooit foto’s werden gemaakt van onze talloze verkleedpartijen. Het was een beetje een winterding, een spel voor binnen en daar gingen ze geen kostbare flitsblokjes aan verspillen.

Ik heb wel een foto van mijn zoon als Sinterklaas, een kleine veertig jaar terug genomen met een moderner toestel met zo’n grote flitser erop. Een zelfgemaakte mijter van crêpepapier, een rok uit mijn kast, twee pannenlappen en een badhanddoek: ziedaar Sinterklaas. Persoonlijk vind ik de frons erg goed getroffen.

foto: Een echte Sinterklaas! | foto archief Mieke van der Jagt

door Peter de Jonge

In de Beeldbank Zeeland stuitte ik op een foto van een gebrilde jongeman in een rij wachtenden voor Grand Hotel Britannia in Vlissingen. Ik herinner me dat moment nog als de dag van gisteren. In de Brit werd die avond Top of Flop opgenomen. Dat was het populaire jongerenprogramma, onder leiding van VARA-discjockey Herman Stok, die plaatjes draaide en dan aan een panel vroeg of ze het top of flop vonden.

Bij een FLOP greep hij een knijptoeter en bij TOP rinkelde Herman met een bel. Ik was in maart 1965 enthousiast op weg om 14 te worden en mocht mee met een 17-jarige dochter van kennissen, die minder oog voor mij had dan voor de blikken: zeevaartscholieren. Omdat we een goede plaats wilden stonden we al vroeg voor de ingang van het hotel aan de boulevard, waar het gedrang zo enorm werd dat ik het gevoel kreeg langzaam tegen de glazen deur te worden geplet. In paniek schreeuwde ik dat ik stikte en manoeuvreerde me uit die kluwen naar de zijkant, waar ik — de angst nog in mijn ogen — gekiekt werd door PZC fotograaf Dick Faber.

Top of Flop heeft zich ooit onsterfelijk belachelijk gemaakt, omdat zogenaamde deskundigen in de jury eind 1963 I Want to hold your hand van de Beatles unaniem tot flop uitriepen en voorspelden dat het met deze groep nooit iets zou worden. Ze moesten het vooral hebben van hun lange haar en opvallende kleding. Dit tot groot ongenoegen van de zaal, want iedereen was in die tijd in de greep van Beatle-mania. De juryleden in Britannia, onder wie Beppie Boer uit Vlissingen en Emma Francke uit Souburg, sloegen de plank ook geregeld mis. Johnny Holliday (Un ami çá n’a pas de prix) en The Motions (You bother me) werden tot flop uitgeroepen en bij Elvis Presley (Do the dance) en Rein de Vries (Colinda) staakten de stemmen. Gejoel uit de zaal.

Van de opnames op die woensdagavond herinner ik me niet zo veel. Dat Cokkie Andreolie plaatsnam achter de platenbar ben ik vergeten en de afterparty met The Night Revellers (Ronald Castel, Ronnie van der Meer, Huig de Kreij, Bas Spithout en Charles Bukkens) heb ik niet bezocht. Dat discobal had zelfs een heuse balleider, de heer C. de Jong, eigenaar van de lokale dansschool.

Mij ging het vooral om de spanning van het op televisie te komen. Volgens Herman Stok was dat trouwens voor elke aanwezige de belangrijkste reden. Maar ik wilde vooral opvallen en niet wachten tot een cameraman me in beeld zou nemen. Tijdens de aftiteling van de uitzending — de zaterdag na de opname — zag je dan ook een klein ventje dat ineens van zijn stoel opveerde, pontificaal in het middenpad ging staan en zwaaide naar de camera’s. Mijn eerste tv-optreden.

foto boven: Top of Flop met Herman Stok (links). | bron YouTube

Peter de Jonge (links met bril) staat tussen het massaal toegestroomde publiek wat angstig aan de zijkant van de Brit om naar binnen te mogen. | foto archief Peter de Jonge

door Peter Verdurmen

De tienerjeugd van IJzendijke had in 1968 twee favoriete ‘hang’plekken waar men elkaar trof, het bushokje op de Markt en een cafetaria.

In de frituur stond een jukebox, een prachtexemplaar met gekleurde neonlampen. Was het een Wurlitzer, Seeburg of Rock-Ola? Een lastig te beantwoorden vraag na zoveel jaar.

Voor popliefhebbers waren het gouden tijden. Hey Jude en Lady Madonna van The Beatles, Jumpin’ Jack Flash en Street Fighting Man van The Rolling Stones, Magic Bus van The Who, allemaal uit 1968. Of ze in de jukebox zaten?

Van één nummer ben ik wel zeker dat je ‘m kon draaien tegen een luttel bedrag: The Unknown Soldier van The Doors, de band van Jim Morrison. De eerste single van het album Waiting for the Sun was de vierde Billboard Hot 100 hit voor The Doors. Geen echte hoogvlieger trouwens: hij bleef steken op plaats 39. In de Nederlandse Top 40 eindigde The Unknown Soldier een stukje hoger, op plaats 23. Na acht weken duikelde het Doors-nummer uit de Top 40.

In de protestsong tegen de Vietnamoorlog zat een stilte van een seconde of vier waarna een schot klonk: de soldaat werd gefusilleerd.  Zanger Jim Morrison schreef het nummer na een bezoek aan Arlington, de begraafplaats in Washington waar een monument is opgericht voor de Onbekende Soldaat.
We wisten de volumeknop van de jukebox te zitten. Je voelt ‘m al: na de ijzingwekkende stilte beefden de conussen van de speakerboxen als een rietje! De reactie van de eigenaar van de frituur laat zich raden…

foto Peter Verdurmen

door Jopie Meerman

1 April, kikker in je bil. 1 April, je wiel draait! Wie kent ze niet, die flauwe grapjes op de dag dat Alva Den Briel verspeelde.

1 April, begin jaren tachtig, ik was correspondente voor diverse kranten, waaronder Brabants Nieuwsblad, nu BN/de Stem. Ik kreeg een telefoontje van een Thoolse middenstander, eigenaar van een elektronicazaak die graag een verhaaltje in de krant wilde.

Nu kende ik deze man goed en wist dat hij wel van een grapje hield, dus om me in te dekken schreef ik op het achterste vel van mijn onmisbare schrijfblok met zwarte stift: 1 APRIL !

Bij hem in de zaak vertelde de boze eigenaar dat hij de dag ervoor klanten van over de brug in zijn winkel kreeg die geluidsapparatuur en een televisie meenamen om uit te proberen. Helaas, er werd niks teruggebracht door de bewoners van een kamp in Den Bosch. Hij had gebeld maar er werd onvriendelijk, zelfs dreigend meegedeeld dat hij er dan zelf maar om moest komen. Hij had de politie gebeld, maar die waren niet van plan er iets aan te doen.

Dus hij wilde een stuk in de krant. En op dat moment sloeg ik de vellen van mijn schrijfblok om en liet hem zien wat ik geschreven had: 1 APRIL!

Mensenkinders, ik heb zelden iemand zo boos gezien! Denk je dat het een april-mop is? Denk je dat ik je voor de gek houd? Was het maar waar!

Foutje Jopie!

Gelukkig heeft hij zelf de niet alleen stoute, maar ook dappere schoenen aangetrokken en heeft zijn eigendommen in de Brabantse hoofdstad opgehaald. Ik was een ervaring rijker, en Kees had alles weer terug. Maar op 1 april denk ik elk jaar weer aan mijn niet zo bijdehante actie, en na al die jaren heb ik toch nog een verhaaltje…

Foto: De winkel van Kees Quist in 1988. | foto archief Tholen