Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Allie Barth vond het soms afzien in het oude archiefgebouw in de Wijngaardstraat in Goes. Zo was er bijvoorbeeld geen -Lees meer
Albert Korts vader was een boekhouder en hield van cijfers. Hij bezocht zijn klanten op de brommer en in later -Lees meer
Mieke van der Jagt moest in de jaren negentig voor de cultuurbijdrage van de PZC een interview houden met de -Lees meer
Op de lagere school werd columnist Margreeth Ernens ingezet als collectantje voor de Hemava, een stichting die weeskinderen opving. Het -Lees meer
Ali Pankow deed ooit een vergeefse poging om zelf kleding te leren maken. -Lees meer
Eind jaren zestig, begin jaren zeventig was lang haar in de mode, maar ouders en schoolleiding zagen toch liever kort -Lees meer
Soms heb je een briljant idee om slapend rijk te worden, maar onverwachte invloeden kunnen daar een stevig stokje voor -Lees meer
Jopie Meerman gaat al 54 jaar naar de Kop van Schouwen om daar te relaxen op een camping. De weg -Lees meer
Rinus Willemsen kreeg onlangs een ontsteking aan zijn voet. En aangezien jodium niet hielp, greep hij naar een probaat middel: -Lees meer
Jan Dirk van Scheyen had als kind maar één wens: een beroemde drummer worden. Hij kreeg op zijn elfde een -Lees meer
door Allie Barth

In mijn vorige column schreef ik wat over dat hele oude archiefgebouw in de Wijngaardstraat in Goes. Daarvan is helemaal niets bewaard gebleven. Het werd grondig gesloopt. Er rest nog slechts een openluchtgang vanaf de straat naar een tweetal horecazaken.

Daar is het beter toeven dan in vroeger tijden toen wij daar onze werkzaamheden verrichtten. Zo ontbrak er ook een warmwatervoorziening. De werkster moest bij de schoonmaakwerkzaamheden altijd eerst een ketel warm water aan de kook brengen en in dat geval werd ook het water voor de koffie opgewarmd. Verzoeken aan het hoofd van de afdeling Onderhoud Gebouwen van de gemeente om een warmwatervoorziening waren vruchteloos. Die antwoordde altijd met het standaardzinnetje: ,,Nee, daar is geen geld voor.”

Toch moet de man op zeker moment een goede bui hebben gehad, want wat schetste onze verbazing toen op zekere dag een monteur ons gebouw kwam binnenlopen met de mededeling: ,,Ik kom een geiser aansluiten” terwijl hij ons zo’n apparaat toonde. Weliswaar één die oud en der dagen zat was, maar op vlotte wijze begon hij met de werkzaamheden. Eerst kijken waar de gasleidingen liepen en daarna bepalen waar dat ding moest komen te hangen in de buurt van de waterleiding. Dat laatste was geen probleem. In dat keukentje was een waterleiding en een kraan. En er liepen vier gasleidingen. Hij koost de minst verroeste uit en ging vol kwinkslagen aan de slag. Hij was een vrolijke jongen. En toen hij klaar was – de geiser hing en was aangesloten op water en gas -, nodigde hij ons allen uit om het in bedrijf stellen bij te wonen. Dat deden we, verheugd en blij. Hij draaide de gaskraan van de geiser open, ontstak een lucifer en hield die voor de geiser. Maar er gebeurde niets. Nog een lucifer. Weer niks. De derde hield hij te lang in zijn vingers en hij sprak een minder net woord toen hij zijn vingers verbrandde.

Hij ging de leidingen eens na en kwam tot de conclusie dat hij de geiser had aangesloten op een loze leiding. Ook de andere zouden nooit een brandende geiser opleveren.

Toen we dat aan het hoofd van OG meedeelden, kwam die na een aantal weken met een boilertje van voor Wereldoorlog II. Uiteindelijk beschikten we toch over warm water.

foto: Een vooroorlogse boiler. | foto José Luiz Bernardes Ribeiro / Wikimedia Commons

door Albert Kort

Mijn vader heeft zijn leven lang iets met geld gehad. In ieder gesprek draaide het vroeg of laat om geld. Als je bijvoorbeeld een pas gekocht boek aan hem liet zien, was het eerste wat hij deed naar de prijs ervan kijken waarop steevast het commentaar volgde: ‘Zo, dat is ook niet weinig.’  Als hij je wat te drinken aanbood en je vroeg om een glas water, was zijn reactie altijd weer: ‘Ah, je bent een goedkope klant.’

Het was dan ook geen wonder dat de man voor het vak van boekhouder in de wieg was gelegd. Cijferen was zijn passie en reken maar dat hij dat als geen ander kon. Hij was trots op de vele vakdiploma’s die hij in de loop der jaren had behaald, zoals het Praktijk-diploma boekhouden en de Staatspraktijkdiploma’s (S.P.D.) voor accountant en belastingconsulent.

Na enige jaren werkzaam te zijn geweest bij de Z.L.M. trad hij rond 1955 in dienst bij meneer Van Opstal, die in zijn achtertuin een kantoortje had gebouwd. Terwijl van Opstal en diens zoon zich met verzekeringen bezighielden, moest mijn vader belastingaangiften voor particulieren en kleine zelfstandigen verzorgen. Zijn belangrijkste klanten woonden in de Zak van Zuid-Beveland. Het waren voornamelijk kleine, vrijwel uitsluitend katholieke boeren, want de uit Brabant afkomstige familie Van Opstal was van roomse huize.

Albert (links) en zijn broer op vaders brommer.

De zaken liepen goed, want na verloop van tijd kreeg mijn vader ondersteuning van een tweetal assistenten die het tijdrovende typewerk voor hun rekening moesten nemen. Het was uitermate nauwkeurig werk waar geen fout in mocht zitten, en dat op ouderwetse typemachines werd uitgevoerd.

Eenmaal per week reed hij op zijn brommer door de Zak om daar zijn klanten in Ovezande, Kwadendamme en Heinkenszand te bezoeken. De brommer maakte later plaats voor een auto. Die was niet alleen sneller, maar hij kon er ook de aardappelen en appels in kwijt die hij geregeld van sommige boeren kreeg. Een welkome aanvulling op zijn loon dat lange tijd iedere week door Van Opstal in contanten werd uitbetaald.

Na het overlijden van Van Opstal werd de zaak door mijn vader overgenomen. Het kantoortje herinner ik me nog goed. Tijdens het schrijven van mijn doctoraalscriptie bracht ik er weken in door. Het was een ideale werkplek, waar je in alle rust kon werken. Gepraat werd er niet of nauwelijks. Het geratel van de Olivetti-typemachines werkte zelfs rustgevend. Zeker voor iemand die de hectiek van het Amsterdams studentenleven  gewend was.

foto boven: Vader Kort in 1959. | foto’s privéarchief Albert Kort

door Mieke van der Jagt

Onlangs is de bij vlagen oergeestige biografie van Louis Andriessen uitgekomen. Biografe Jacqueline Oskamp wekt de componist tot leven als de grote muziekvernieuwer, de theaterman en de womanizer die hij was. Ik kan het niet laten om er een kleine ervaring  van mezelf aan toe te voegen.

In 1993 stond het Festival Nieuwe Muziek in het teken van Monteverdi. Met de uitvoering van diens L’ Orfeo onder leiding van Michael Nyman werd in Middelburg de 350ste sterfdag van de componist herdacht en daarmee ook de verschijning van de allereerste opera.

Maar Nieuwe Muziek had altijd veel meer pijlen op de boog. Nu het toch over Orpheus ging, kon ook de kameropera van die naam wel weer eens worden opgevoerd. Louis Andriessen componeerde die opera met een libretto van Lodewijk de Boer in 1977 voor de toen zeer vernieuwende muziektheatergroep Baal.

In Middelburg werd Orpheus opgevoerd door studenten en afgestudeerden van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten onder leiding van Leonard Frank.

De hoofdredactie van de PZC vond dat ik daar maar eens met Louis Andriessen over moest gaan praten. Het moest wel een beetje gauw zodat het interview bij wijze van aankondiging nog in de cultuurbijlage mee kon.

Ik dus bellen. Of ik op korte termijn een praatje kon komen maken. O ja dat kon wel, maar pas om tien uur ’s avonds. Geen probleem, hij ging een lekker flesje wijn klaar zetten. Toen voelde ik al nattigheid. In die tijd had ik nog een behoorlijk goede stem: aan de lage kant, je zou hem voor zwoel kunnen verslijten. Louis Andriessen, dat wist ik meteen, stond op het volslagen verkeerde been. Hij verwachtte heel wat anders dan een uit de kluiten gewassen moeder van twee kinderen met weinig tijd en interesse voor wat voor romantiek dan ook. Ik dacht: dat wordt leuk!

Het was die dag in juni ontzettend heet. Zo’n dag waarop het ’s avonds en ‘s nachts helemaal niet meer afkoelt. Dus toen ik in Amsterdam arriveerde, een beetje op tijd om een parkeerplaats te zoeken, was ik al niet meer op m’n best. Ik reed in die tijd in een AXje, een autootje dat voor de verkoeling alleen maar ramen had,

Na het aanbellen duurde het een hele poos voor de deur open ging. Die mensen in die grachtenpanden moeten ik weet niet hoeveel smalle, steile trappen af om de visite binnen te laten. Ik weet nog hoe blij ik was dat ik in Zeeland woonde in een huis op de grond met tuin er rond. Toen de deur eenmaal open ging, zag ik ‘m schrikken. Heel wat anders verwacht, hè, opperde ik. Ja, dat gaf hij toe. Gelukkig vond hij het ook grappig. Het werd een aangenaam gesprek. De fles ging open maar ik moest nog rijden.

foto Louis Andriessen | Foto Francesca Patella, Wikimedia Commons

door Margreeth Ernens-Abrahamse

Op de lagere school in Terneuzen zat ik in klas 3, 4 en 5 bij meester Rosenbrand. Hij had het op zich genomen om zijn leerlingen te laten collecteren voor de Hemava, een stichting die geld inzamelde voor kinderen in Protestants Christelijke Internaten.

Met dit soort busjes gingen we voor de Hemava langs de deuren. Ik had ook een geel busje.

Het was niet zozeer dat je je als collectant moest opgeven, je kreeg gewoon een aantal straten toegewezen. Sommige ouders hadden daar bezwaar tegen en die kinderen waren vrijgesteld. Iedere maand moesten we het collectebusje bij de meester inleveren en dan telde hij hoeveel centen, stuivers en enkele dubbeltjes je had binnen geharkt.

Ik had dus drie jaar lang vijf straten: de Noordstraat, de Lange Kerkstraat, de Korte Kerkstraat, de Tholensstraat en de Donze Visserstraat. Alles bij elkaar ging het om honderden huizen over een afstand van een paar kilometer. Bovendien kon je de Noordstraat niet ‘doen’ op zaterdag, want dan hadden de winkeliers het veel te druk met het winkelende publiek.

Ik baalde wel van mijn grote wijk, want er ging heel veel tijd inzitten. Als je er iets van zei, kreeg je te horen: ‘Jij hebt het zo goed en die arme weeskindertjes hebben het zo slecht getroffen’. Ik moet toegeven dat dat wel een stok achter de deur was, het collecteren werd een ‘heilig moeten’.

Die eerste keer liep ik braaf alle straten af met mijn busje. En dat was te merken ook, want het busje zat propvol met muntjes toen ik het bij de meester inleverde: ruim 30 gulden. Toen ik de veel lagere opbrengsten van mijn klasgenoten zag besloot ik stiekem voortaan maandelijks een hálve wijk te doen (en daar ging ook genoeg tijd inzitten). Het leverde toch nog altijd een flink bedrag op, meestal had ik het hoogste bedrag van de klas opgehaald. Ik vermoed dus dat ook mijn klasgenoten de hand lichtten met het lopen van hun maandelijkse rondje.

Het collecteren heeft me veel geleerd over mensen. Algauw kende ik de meesten wel bij wie ik langs de deur kwam. Velen (de vriendelijke soort) gaven gul, bij anderen ving je steevast bot. En dan had je ook nog de buitenbeentjes. Zo belde ik eens aan bij een huis in de Lange Kerkstraat en zag door het deurraam een mevrouw aankomen. Toen ze mijn collectebusje zag riep ze liefjes dat ze de deur niet kon opendoen, want ze was ziek. ,,Jammer hè, nu kan ik niets in je busje doen.’’ Daar deed ik niet moeilijk over, ze kon best geld door de brievenbus aan mij geven. Die mevrouw begon zich daarop in allerlei bochten te wringen om er onderuit te komen. Flauw, ze had ook gewoon kunnen zeggen dat ze niet wilde doneren.

Aan het eind van het jaar mochten we als beloning een boekje uit een folder kiezen. De eerste keer koos ik voor een Leni Sarisboekje, maar dat feest ging niet door, want dat was voor 12 jaar en ouder. Ik moest genoegen nemen met een kinderachtig lor, wat niet eens interessant was, maar wel ‘zeer geschikt voor 8- en 9-jarigen’.

Foto boven: De binnenstad van Terneuzen vanaf de Schoolweg gezien in de jaren zestig, met links de Tholensstraat en rechts de Donze Visserstraat. Rechtsboven zijn de Willibrordustoren en het Pastorsbos te zien.

door Ali Pankow

Kleding! Het eerste woord dat in mij op kwam bij de vraag ‘Wat maakte je vroeger zelf?’ In de papieren editie van ‘Zeeuws Weerzien’ is van alles over dit thema te lezen. Immers vroeger maakten we heel veel zelf. Maar mijn gedachten bleven dus vooral hangen bij kleding.

Niet dat ik daar zelf talent voor had. Veel verder dan een wijde trui breien ben ik nooit gekomen. Mijn moeder wel. Zij had ooit een avond-opleiding gevolgd om kleding te leren maken en oude kleren te verstellen. Ze was er goed in. Uit een oude rok kon ze voor mij als kind een mooi jurkje en blouse maken. Maar echt nieuw maken, vond ze leuker. Dus stoffen kopen op de lapjesmarkt, patroontjes zoeken in de Marion en later de Burda en daar wist zij dan de mooiste kleren uit te toveren.

Zij deed pogingen dit mij ook te leren, maar dat lukte niet echt. Nou ja een naadje stikken, een zoom leggen en een knoop aanzetten, maar daar bleef het bij. Dus….toen mijn moeder vrij jong – ze was 58 – overleed, stond die Pfaff naaimachine mij dwingend aan te staren. Vanuit een dappere poging een postume ode te brengen, besloot ik haar ‘levenswerk’ voort te zetten. Dus tekende ik in voor een nogal vrijblijvend naaicursusje, zonder gestructureerde opzet. Je kon er met je eigen project binnenstappen.

Dat deed ik dan ook: Ik kocht ruitjesstof, vond een patroon voor een zwierige jurk en ging onder begeleiding van de docente aan de slag. Haar aanwijzingen waren summier, maar hoe je een patroon moest knippen, had ik van huis uit een beetje  meegekregen. Echter toen ik op het punt stond de schaar erin te zetten, hield de juf mij streng voor: ,,Je moet bij ruitstof natuurlijk wel eerst de recht van draad lijn zoeken. Ik keek haar aan en zei: ,,U kunt ook Spaans tegen me praten. Dat zou ik net zo min begrijpen als dit.’’ Op dat moment beseften we beiden dat mijn talent niet lag bij zelf kleren maken. Ten behoeve van deze column heb ik nog eens opgezocht wat die recht van draad lijn is: de lijn die ervoor zorgt dat je je patroondeel niet op de kop uitknipt en ervoor zorgt dat de rek in de stof de juiste kant op gaat. Maar eigenlijk begrijp ik het nog steeds niet.

foto: Een Pfaff-handnaaimachine.

door Peter de Jonge

Eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw was er voor mij bijna niets zo ellendigs als de gedwongen gang naar de kapper.

Lang haar was de mode, maar op mijn katholieke HBS in Goes paradeerde pater-directeur tijdens de pauzes over het schoolplein en trok aan je haar wanneer dat in zijn ogen iets te ver over je gebreide schooldas, met donkerblauwe en lichtblauwe banen, reikte.

Hoe anders was dat in mijn woonplaats Vlissingen waar op Scheldemond de revolutie heerste. Jongens hadden er lang haar, meisjes droegen ultrakorte rokjes. Waarom moest ik elke dag met de trein naar zo’n aartsconservatieve school, waar de tucht van paters heerste? Je werd gedwongen om een balans te zoeken tussen een bespottelijke haardracht waar een goedkope kapper met een tondeuse over heen was gerausd en een coupe die een beetje aanleunde tegen de moderne dracht.

Kapper Bambach in onze straat, de Vincent van Goghlaan in Vlissingen, was door zijn favoriete bloempotmodel gevreesd bij de puberjeugd. Hij liet zijn tondeuse over je hoofdhuid glijden met blijmoedigheid waarmee de terreinknecht van VC Vlissingen met zijn maaier de grasmat van het hoofdveld aan de Irislaan millimeterde. Dus luisterde je gretig naar tips van leeftijdsgenoten die vertelden dat kapper Spuij op de hoek van de Hogeweg en de Bloemenlaan beter was. Dat klopte maar een beetje.

Uit het niets bereikte mij het bericht dat er een kapsalon bestond waar je modern werd gekapt. Kapper Henk Kuper in de Paul Krugerstraat. Kupertje werd hij genoemd. Zeer klein van stuk waardoor hij volgens de verhalen met zijn schaar niet hoog kon reiken. Klein van stuk klopte. Door een groeistoornis was hij in mijn herinnering 1 meter 40, hooguit 1 meter 50. Hij had een hoge rug, een hoge stem, een grote bril en altijd een overhemd met stropdas onder zijn kappersjas. Dat hij er niet bij kon was een fabeltje, want de stoel kon hij bijna op de vloer laten zakken.

Kapper Kuper wist slim het midden te houden tussen lang en kort haar. | foto Peter de Jonge

Kupertje, die zijn zaak al in 1951 in de Spuistraat was begonnen en daarmee de oudste kapsalon van de stad was, toonde zich gewoonweg een modern mens. Zo eentje die de nieuwe haardrachten geweldig vond er daar iets van wilde maken. Dus toog ook ik naar hem en wachtte, zenuwachtig bladerend in De Lach, tot ik aan de beurt was en hem liet weten dat ik het ‘niet te kort’ wilde hebben. Dat werkte.

Thuis reageerde mijn moeder verontwaardigd. Dáár betaalde ze niet voor. Ik moest terug en laten weten dat er wat meer af moest. Als ik dat niet durfde ging ze wel even mee. Dat mijn moeder meeging (hoe gênant) kon ik gelukkig net afwenden. Terug in de kapperszaak stamelde ik dat ze er thuis niet blij mee waren. Kuper had vaker met dat bijltje gehakt. Hij haalde er nog een ietsie pietsie af waardoor er een compromis werd bereikt. Dat was het mooie aan die legendarische kapper. Hij bleef je het gevoel geven dat hij jouw vriend was.

foto boven: De PZC besteedde op 7 november 1987 een artikel aan kapper Kuper.

door Peter Verdurmen

De krant kun je niet missen! Zes dagen in de week valt -ie voor dag en dauw in de bus, als er logistiek tenminste geen kink in de kabel komt.

Het vinden van bezorgers is al lange tijd een hoofdpijndossier voor krantenuitgevers. Ze doen er echt alles aan, maar het is en blijft een moeizame zoektocht.
Wat een verschil met vroeger! Elke krantentitel had eigen bezorgers, zelfs in kleine dorpen. Als aanpakker kon je een leuk zakcentje bijverdienen, mits je vroeg uit de veren kon. De bezorger die het waagde om de kakelverse ochtendkrant pas ’s middags bij de abonnees te droppen kon op een reprimande rekenen.

De Telegraaf had een jonge bezorger bij ons in het dorp. Een handige knaap die de extra centen best kon gebruiken. Zoveel zakgeld kreeg je immers niet in die tijd.
Het bezorgen van de kranten, een bescheiden aantal, was in nog geen uurtje gepiept. Alleen dat vroege opstaan was wel een dingetje. Slim als hij was had hij daar iets op gevonden. De jongeman nam een ‘knechtje’ in dienst. Het plan werkte perfect. Het nieuwe adres werd doorgegeven aan de chauffeur. Nog voor het ochtendgloren lag bij de voordeur een stapel kranten. De officiële  bezorger en zijn hulpje deelden de vergoeding. Zo word je slapend rijk…

De bedenker van het plan had buiten de waard gerekend: in dit geval Pluvius, de god van de regen. Het kletterde lekker door die ochtend. Papier en water, da’s geen fijne combinatie. Het knechtje van de bezorger kweet zich van zijn taak. Van regen smelt je immers niet. De natte kranten werden met enige moeite de brievenbussen in gefrommeld.

Zo’n krant leest niet lekker. Ontevreden abonnees klaagden bij de ouders van het ventje, zo gaat dat in een klein dorp. Een glanzende carrière als bezorger van de Telegraaf werd zo snel in de knop gebroken…

foto Peter Verdurmen

door Jopie Meerman

We rijden telkens heen en weer, om de paar dagen, dan weer een week, maar zelden heel lang. Heen en weer naar de camping op de Kop van Schouwen. En dat doen we in 2025 voor het 54e jaar.

Er zijn mensen die daar niks van snappen, telkens naar dezelfde plek, dat doe je toch niet. Wij wel, met veel plezier. Voor we getrouwd waren, inmiddels meer dan 59 jaar, maakten we verre reizen naar bijvoorbeeld Joegoslavië en kampeerden met de tent. Maar er kwam een baby en we moesten een keuze maken. Er stond een Kipcaravan in Westenschouwen, dat was wel wat. Niet om mee te trekken, maar gewoon op een camping. Diezelfde plek waar we nu nog steeds genieten.

Ondertussen maakten we nog wel reizen, Portugal, Duitsland, maar toch bleef ons stekje  op Schouwen belangrijk. Heen en weer dus daarheen. Met de pont van Anna Jacoba Polder – Zijpe, bekend van de radio: ‘gestremd wegens mist’. Of lange files wegens vakantieverkeer in de bouwvaktijd. Of zoals met een druk Pinksterweekend, wanneer we met spanning wachtten of we nog mee konden, niet heen maar weer, naar Tholen. Terugrijden over Goes, het werd nachtwerk met twee zoons achterin de auto.

Het pontje verdween. We reden heen en weer over het Hellegatsplein, later over de Oesterdam. Lekker naar de camping waar ondertussen ons onderkomen was gegroeid, net als wij allemaal. De jongens werden middelbare scholieren, hadden vakantiebaantjes en gingen graag mee, tot op zeker moment. Wij bleven graag heen-en weer rijden over de Philipsdam, genietend van de natuur om ons heen en aangekomen op Schouwen van de vakantiesfeer daar. We werden ouder, schaften een chalet aan met alles erop en eraan. We gaan nog steeds met veel plezier heen en weer. We zijn ondertussen zo’n beetje de oudste bewoners van de camping, maakten er veel mee.

Er is veel veranderd, maar nog steeds blijft de Kop van Schouwen ons tweede huis en gaan we graag heen en weer om daar te genieten. Af en toe maken we graag plaats voor onze oudste met zijn gezinnetje, onze kleinzoons kijken nu weer al uit naar hun vakantie hier. En wij rijden dan zelfs even heen en weer om mee te maken hoe de Meerman-genen verbonden zijn met Zeeland.

foto boven: De veerpont over het Krammer. Op de voorgrond de SS Zijpe, die in 1988 uit de vaart werd genomen na de aanleg van de Philipsdam. | foto gemeentearchief Tholen

Een schilderij van het strand bij Westenschouwen, een geliefd plekje van de Meermannen.

door Rinus Willemsen

Vorige week begon het. Ik had mijn nieuwe schoenen eventjes uitgeprobeerd. Zomaar een klein wandelingetje gemaakt. Allicht knelden die een beetje. ’t Was vooral mijn grote teen van mijn linker voet die in de knel zat. Ik was blij dat ik thuis was en op mijn kousenvoeten door het huis kon lopen!

De andere dag was het nog niet over en zag ik een beetje bloed naast mijn nagel. ,,Dat is niet goed jongen”, dacht ik. Voorzichtig deed ik er een druppeltje jodium op. Dat herhaalde ik een paar dagen achtereen, maar de ontsteking ging niet weg. ,,Dan maar in het sodawater” ,schoot het door mijn hoofd. Sodao, da’s een probaot middel.

Nu moet ik zeggen dat ik vlug een ontsteking heb. Als kind had ik daar ook veel last van. Als in het voorjaar de jongens in een korte broek naar school kwamen, dan was ik meestal de laatste die een korte broek aandeed. Ik viel nogal makkelijk en dan waren mijn knieën geschaafd. Of nog erger.

Dan moest dat in het sodawater. Maar een voet in het sodawater doen, gaat makkelijker dan een knie. Hoe deden wij dat? Ik zal het je vertellen.

Langs de achterstraat van ons huis stond een leuning. Dat was het ‘im. Daarover werden alle donderdagen de matten gelegd. Met de mattenklopper sloeg m’n moeder dan het stof uit die matten. Bij die leuning zette ik een stoel met een teiltje sodawater daarop en daarin ging mijn knie. Ja, ik stond dus als een ooievaar op een been. Om mijn evenwicht te bewaren hield ik de leuning vast. En dan duurt een kwartier wel heel lang. Ik voelde me net als een paard, dat in de travalje stond om beslaan te worden. Beslagen, zeggen wij.

Gisteren zat ik weer nog even met m’n voet in het teiltje en toen kwamen deze gedachten weer in m’n hoofd. Van dat paard.

foto: Opname in het Ambachtencentrum Goes, zomer 2023. De smid beslaat een paard.

door Jan Dirk van Scheyen

Wat wil je worden als je groot bent? Tja, welk jongetje wil er niet een bewonderde voetballer worden, of een beroemde astronaut? Mijn jongensdroom lag in de muzikale sfeer: drummer worden in een band.

Het was Ringo Starr die me besmette met het drumvirus. Ik ben van 1957 en toen ik als jochie van een jaar of acht Ringo op onze zwart-wit tv zag drummen bij The Beatles op zijn prachtige Ludwig-set, was ik verkocht.

Jan Dirk drumde op zijn zolderkamer mee met de plaatjes die hij op zijn pick-up draaide.

Wat klonk dat geweldig en opwindend! Sindsdien wilde ik niets liever dan drummen. Toen ik een jaar of elf was, kwam die droom uit. Voor mijn verjaardag kreeg ik van mijn ouders een snaredrum plus hihat. Een complete drumset zat er nog niet in, maar het begin was er…. Op die snaredrum en hihat ging ik mijzelf de grondbeginselen van het drummen aanleren, zo nam ik mij heilig voor.

En dat lukte heel aardig, merkte ik al rap. Ik drumde aan de lopende band mee met plaatjes die ik op mijn zolderkamer zo luid mogelijk afspeelde op mijn pick-up. Ik herinner me een plaatje met daarop vier songs van The Beatles waarop ik graag meedrumde. Ik ken de titels nog uit mijn hoofd: Twist and Shout, A Taste of Honey, Do you want to know a Secret en There’s a place.

Toen ik het drummen enigszins onder de knie had werd het tijd om gelijkgestemden te vinden met wie ik een heus bandje kon oprichten. Op een van de foto’s bij deze column staat mijn eerste bandje: Stomach Hole uit Middelburg met de illustere leden Max, Jacky, Bart-Jan en ik. De kiek dateert uit begin jaren zeventig.

Drummen in een bandje was niet alleen meer een jongensdroom, maar werkelijkheid!

Eeuwige roem hebben we nooit vergaard, maar daar ging het ook niet om. Lekker raggen op onze instrumenten in de garage was genoeg. En het vormde bovendien een perfecte uitlaatklep voor opstandige pubergevoelens. Dat soms ineens de politie op de stoep stond omdat buren hadden geklaagd over geluidsoverlast, kon ons jeugdig enthousiasme niet temperen.

Na Stomach Hole volgden nog vele bandjes, waarvan Zapata uit Middelburg de bekendste was. Met deze band hebben we zelfs in de Amsterdamse poptempel Paradiso gespeeld….

En nu, op mijn zevenenzestigste, zit ik nog altijd in een band. Drummen is een passie die je niet kunt verklaren. Leg je gezin maar eens uit dat je aan het oefenen bent wanneer je met je vingers aan het trommelen bent op elk willekeurig voorwerp. Drummen is ook nog eens goed voor je brein, zeggen de geleerden, want je gebruikt vier ledematen tegelijk en onafhankelijk van elkaar, waardoor beide hersenhelften worden gestimuleerd. Daarom is deze aloude wijsheid maar al te waar: je stopt niet met drummen als je oud wordt, maar je wordt oud als je stopt met drummen.

foto boven: Stomach Hole, het eerste bandje waarin Jan Dirk drumde. Max, Jacky, Bart-Jan en Jan Dirk zorgden regemlmatig voor geluidsoverlast in hun enthousiasme. | foto’s privéarchief Jan Dirk van Scheyen.