Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Rinus Willemsen moest onlangs snel om een nieuwe muis in Terneuzen. Hij dacht even terug aan zijn schooltijd in Terneuzen, -Lees meer
Vroeger betaalde je alles contant, tegenwoordig gaat het met je pasje of telefoon. Er kwam heel wat bij kijken bij -Lees meer
In 1978 kwam Bob Geldof met zijn Boomtown Rats naar Middelburg voor een legendarisch concert. Maar voor er werd opgetreden -Lees meer
Johanna Brouwer werd in de jaren zestig lid van de openbare bibliotheek in Middelburg. Het uitlenen van de boeken ging -Lees meer
Als verslaggever was Willem Staat in 1982 bij de huldiging van een aantal werknemers van de Vitrite, de lampvoetenfabriek in -Lees meer
Albert Kort kreeg net als zijn leeftijdsgenoten een oproep om te worden gekeurd voor de militaire dienstplicht. Vijf jaar studie -Lees meer
Allie Barth bracht zijn lagere schooljaren door in Middelburg. Op het Molenwater stonden kastanjebomen die in de herfst het doelwit -Lees meer
Frans van de Velde ziet met lede ogen aan hoe bijna alle brievenbussen tegenwoordig zijn verdwenen. Vroeger werd de post -Lees meer
Mieke van der Jagt houdt niet van carnaval, hoewel ze toch haar roots in Brabant heeft. Maar als kind deed -Lees meer
Kees Swenne herinnert zich de Watersnoodramp nog goed en ook het laatste telefoongesprek dat zijn vader met zijn ouders voerde. -Lees meer
door Rinus Willemsen

Het gebeurde zaterdagmiddag tegen een uur of drie. Op mijn scherm verscheen de mededeling dat mijn muis geen contact meer maakte. Inderdaad, de cursor bleef mij bewegingloos aanstaren. Het rode lampje onder mijn muisbuik was gedoofd!

Vlug naar Terneuzen om een vervangend exemplaar. Mijn vertrouwde winkel was enkele weken geleden verhuisd van het eind van de Noordstraat naar een plekje wat dichter bij het centrum. ,,We gaan naar een nieuw pand vlak tegenover de kerk”, had een paar weken geleden nog de hulpvaardige manager gezegd.

Of op zaterdagmiddag tegen vieren de winkel nog maar nog open is, suisde het door mijn hoofd. Inderdaad, ik kon ook met mijn wijsvinger de cursor bewegen. Maar dat schiet niet op ee? Zeker niet als je wat moet knippen en plakken vanuit het ene naar het andere blad. Ik gedachten zag ik mijn weekend al computerloos op me afkomen. Gelukkig, de winkel was nog open. ,,Tot tegen half zes”, zei de man die me snel van een nieuwe muis voorzag.

Toen ik even later weer buiten stond en de straat inkeek, moest ik me toch wel even oriënteren. Het was meer dan een halve eeuw geleden dat ik hier als schooljongen door de straat stapte. Was vroeger niet tegenover de nieuwe computerwinkel die snackbar van Bonte? Waar we tussen de middag soms een kroketje uit de muur trokken? Waar even later de kartonnen bakjes een volgspoor  maakten richting school?

Ja, dat moet hier geweest zijn. Twee mannen van de gemeente waren altijd in de buurt te vinden met hun groene karretje en hun heidebezems. Niet alleen de kartonnen bakjes, maar ook de driepuntige frietzakken zwierden toen op de wind hier door de Noordstraat. De mannen wisten alles handig te vangen en in hun bak te mikken. Als de zon scheen ‘bloenken’ de straatstenen van de vettigheid, dat eerst in de frietpan had gedanst.

Tegenwoordig is de Noordstraat leeg; geen afval meer. De snackbar is al lang weg. Voedingsverpakking is nu van plastic. Zelfs biologische komkommers zitten in plastic folie! Over veganistisch eten maar te zwijgen. En bakjes van friet zijn nu ook van dat moderne spul. Mijn doosje van de nieuwe muis was van karton en dat heb ik netjes in de winkel achtergelaten. Recyclebaar.

foto: Straatvegers in de jaren zestig. Op het karretje prijkt GR: Gemeentereiniging. | foto maker onbekend

door Frans van de Velde

Dit was even anders! Ik had bij een vereniging voor een groepje drankjes gehaald en haalde mijn pasje tevoorschijn. ,,Sorry, alleen contant.”  Ik was benieuwd wat ik in het vakje van mijn portemonneetje zou aantreffen want het ritsje was echt lang niet gebruikt. En ik was verbaasd dat ik de munten goed moest bekijken om de waarde te bepalen . . .

Dat was met de gulden nog anders. De laatste serie biljetten werd tussen 1987 en 1999 door Jaap Drupsteen ontworpen. Lekker kleurrijk en makkelijk te herkennen, zoals de foto laat zien.

Al vele jaren ben ik helemaal ‘om’ en betaal nooit contant. Er zit wel altijd wat geld bij mijn pasjes. Eigenlijk begrijp ik niet dat zoveel mensen nog met geld betalen: het is bewerkelijk, je loopt risico met wisselgeld en op verlies en je moet moeite moet doen om geld te pakken te krijgen. Het aantal automaten neemt snel af.

Hoe bewerkelijk was het vroeger toch! Bij de bank of giro ging je met identiteitsbewijs en rekeningnummer aan het loket geld ophalen. Vanaf 1967 kwam de girobetaalkaart en van de bank de groene betaalcheque, in 1969 vervangen door de Eurocheque, bruikbaar in heel Europa.

Voor een student als ik vormden de girokaarten een valkuil. Je kreeg ze door de post thuis opgestuurd, maximaal twee stuks. Als je die voor 300 gulden elk had ingewisseld duurde het (te) lang voordat je saldo de zending van nieuwe kaarten toeliet.

Betalen was echt een gedoe. Aanvankelijk waren girobetaalkaarten blauw, later kwamen er elektronisch leesbare, niet-geponste kaarten. Daarop schreef je het bedrag en het nummer van de giropas, zette je handtekening en toonde de giropas. Daarom moest de pas voor de veiligheid gescheiden van de betaalcheques worden bewaard en meegenomen.

Ik vond het handig om bijvoorbeeld bij een sportuitwisseling de rekening van ons ploegje met een cheque te betalen en de anderen hun aandeel contant te laten betalen. Dat bespaarde me weer een gang naar de bank. Hoe makkelijk gaat dat nu: ‘ik stuur wel een tikkie’.

Ook de caissières bij Albert Heijn in de Scheldestraat vonden het prima als ik een hogere chequewaarde uitschreef en zij de overwaarde contant uitkeerden.

Nu is het een kwestie van zelf scannen en je bankpasje even laten piepen. ,,Een kind kan de was doen”, zou mijn vader hebben gezegd.

foto: De laatste serie guldenbiljetten van Jaap Drupsteen, tot 1999. | foto Nederlandse Bank

door Jan Dirk van Scheyen

Zou Bob Geldof er nog wel eens aan terugdenken? De Ierse zanger, filantroop en liedjesschrijver die geschiedenis schreef als organisator van het mega liefdadigheidsconcert Live Aid in 1985, streek zeven jaar eerder, in 1978, met zijn band Boomtown Rats neer in het verre Middelburg. Daar zouden de Boomtown Rats een optreden verzorgen in het roemruchte jongerencentrum De Beuk aan de Herengracht.

Het werd een legendarisch concert. En niet alleen omdat Bob Geldof er bij was. Bob ging namelijk op de vuist met het publiek!

We schrijven donderdag 7 september 1978. In De Beuk heeft zich die avond behoorlijk wat volk verzameld in afwachting van de show van de Boomtown Rats, een in die dagen opkomende band in de categorie punk en new wave. De muzikanten hebben echter het podium nog niet beklommen of ze worden door het publiek massaal besproeid met grote hoeveelheden bier.

Boos

Het leek wel of het publiek heel erg boos was, er zat behoorlijk wat agressie in de lucht. Het bierspervuur vanuit de zaal werd door frontman Bob Geldof allerminst op prijs gesteld.

De spanning liep zo hoog op, dat Geldof, kennelijk tot het uiterste getergd, op een gegeven moment woedend vanaf het podium de zaal in sprong en op de vuist ging met een groepje bezoekers dat vooraan stond.

In historisch perspectief bezien was het op z’n minst bijzonder om de later in de Britse adelstand verheven Geldof zich te zien verlagen tot een ordinaire knokpartij, nota bene met zijn eigen publiek. Het liep overigens allemaal met een sisser af en de band speelde zijn set uit. Maar over het Middelburgse optreden van de Boomtown Rats werd nog lang nagepraat.

Voorprogramma

Later werd duidelijk dat er veel meer aan de hand was. Het was de bedoeling geweest dat de Souburgse punkband Monroe het voorprogramma van de show van de ‘Rats’ zou verzorgen. Monroe stond ook als support act op de affiches van De Beuk die het concert aankondigden.

Maar kennelijk werd dat voorprogramma op het laatste moment geschrapt, waarschijnlijk op last van het management van de Boomtown Rats. Gevolg: de plaatselijke aanhang van Monroe – in groten getale aanwezig – pikte dit niet en reageerde zodra de Boomtown Rats hun eerste nummer hadden ingezet, zijn woede en teleurstelling af op de arme Ierse muzikanten.

Interview

Tja, dat waren nog eens tijden. Punk in optima forma! Maar het verhaal krijgt nog een staartje. Bob Geldof heeft namelijk later in een interview verteld dat hij er op die gedenkwaardige avond in De Beuk helemaal niet van op de hoogte was dat er een voorprogramma was, laat staan dat dit was geannuleerd. Zijn management had hem daarover kennelijk in het ongewisse gelaten. Hadden ze dat níet gedaan, dan was de avond misschien heel anders verlopen…

Wel, dit was weer een stukje rockgeschiedenis, dat zich toevallig óók nog eens afspeelde op de sterfdag van drummer Keith Moon van The Who. Maar da’s weer een héél ander verhaal…

foto boven: Jongerencentrum De Beuk zat tussen 1976 en 1979 in de voormalige christelijke kweekschool aan de Herengracht in Middelburg. | Foto Middelburg Dronk

door Johanna Brouwer

Halverwege de jaren ’60 werd ik lid van de openbare bibliotheek in Middelburg. Die bevond zich toen in een statig pand aan de Molstraat. Je fietste ernaartoe door smalle, kleurloze straten waar huizen stonden met het bordje ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ op de deur geschroefd.

De bibliotheek had twee ingangen. Een deftige met een trap met drie treden aan de voorkant in de Molstraat, en een gewone aan de achterkant bij de Spuistraat. Daar kwam je binnen door de kelder waar een grote fietsenstalling was en via een stenen wenteltrap klom je naar de begane grond. Daar stonden de boeken voor volwassenen en daar was ook de leeszaal met kranten en tijdschriften.

Nog een trap hoger en dan kwam je bij de jeugdbibliotheek. Midden in de ruimte stond een brede tafel met twee dames erachter die de uitleen verzorgden. De administratie bestond uit een ingenieus systeem met kaartenbakken op datum. In ieder boek stak voorin een kaartje met de auteursnaam en de titel van het boek en zelf had je een lidmaatschapskaart. Het gekozen boek en de kaarten liet je zien bij de dames en na goedkeuring werden de kaartjes op de datum  van die dag in de bak gestoken. Als er na twee weken nog kaartjes van die uitleendag aanwezig waren, dan waren de boeken te laat ingeleverd en werd er een herinnering gestuurd. De postbode zorgde ervoor dat die herinnering, met een postzegel van 12 cent erop, bij jou thuis bezorgd werd. En tja, dan moest je dertig cent betalen. Daar ging je zakgeld.

De boeken voor de jeugd stonden per leeftijdscategorie in de kasten. Ik viel in de categorie 10 tot 12 jarigen. Gelukkig stonden de boeken voor jongens en voor meisjes gewoon samen in de kast en was de keuze vrij. Dat vond ik een groot pluspunt, want op school stonden gescheiden kastjes achterin het lokaal. Uiteraard had ik tijdens de overblijf ook alle boeken uit het kastje voor de jongens gelezen.

Behalve leesboeken stonden er ook kasten met informatieve boeken over van alles en nog wat. Die stonden niet op leeftijd in de kast, maar de geschikte leeftijd stond voorin het boek. En ik hoefde niet te proberen om een boek  van 12 jaar en ouder te lenen, want daar werd streng op toegezien. Stel je toch eens voor dat een 11-jarige een boek over het menselijk lichaam mee naar huis nam, dat kon toen natuurlijk niet.

door Willem Staat

Op 24 juni 1982 liep ik van de PZC-redactie aan de Zusterstraat in Middelburg naar de Vitrite aan de Maisbaai. Daar werden drie mannen gehuldigd voor 40 jaar trouwe dienst bij ‘De Fitting’, zoals de in 1893 opgerichte lampvoetenfabriek in de volksmond heette. Het was een modern bedrijf, dat ooit aan 950 mensen werk gaf.

Het werd een plezierig samenzijn, te meer daar de jubilarissen ook een koninklijke onderscheiding kregen. Het ging om de heren De Groot, Harriot en De Kok. Wethouder Henk Gillissen mocht hen toespreken. Een kolfje naar de hand van deze socialist van de oude stempel, wie het welzijn van arbeiders na aan het hart lag. Gillissen sprak zijn waardering uit voor wat de heren naast hun werk deden voor de samenleving. Dat varieerde van vakbond en ondernemingsraad tot EHBO, tbc-bestrijding en de kosterij van de Oostkerk. Werken bij een goede baas geeft kennelijk energie om wat te doen voor de medemens.

De fabriek is in 1985 gesloopt nadat de Vitrite in etappes verkaste naar Arnestein. Ook daar viel De Fitting op. In 2011 noemde de MKB-krachtcentrale het een van de slimste ondernemingen van ons land. En daar kunnen ze het weten want dit MKB-platform stimuleert innovatief ondernemen.

Geleidelijk verdween de productie van lampvoeten naar Polen om plaats te maken voor die van hoogwaardige onderdelen van auto- en ledlampen. Als onderdeel van Lumileds, de led-divisie van Philips, verwisselde de fabriek vanaf 2017 enkele malen van eigenaar. In 2024 pakten zich donkere wolken samen boven De Fitting. Grootste klant Lumileds, het voormalige moederbedrijf, begon betalingen uit te stellen. Dat heet  winstmaximalisatie, oftewel zorgen dat jij als aandeelhouder zoveel mogelijk profijt hebt en arbeiders rond Kerstmis zonder geld zitten. Daar kan een mens massief woedend van worden en/of heel verdrietig.

Gelukkig zijn er ook nog mensen die negatieve zaken ombuigen tot positieve. Net zo goed als in 1982 zijn er ook nu (oud)werknemers die hun beste beentje voorzetten. Het is aan Edwin de Paepe, Jan van Splunder, Jaap Gelok en Adrie Franke te danken dat De Fitting zichtbaar blijft. Zij wisten de verzameling producten die De Vitrite maakte aan de failliete boedel te onttrekken. Ze zijn nu te zien in het Industrieel Museum in Sas van Gent. Een plek waar mensen met een hart voor de Zeeuwse nijverheid graag over de vloer komen.

foto: De mechanische werkplaats van de Vitrite in 1064. | foto Zeeuwse Beeldbank recordnummer 64971

Een werknemer van de Vitrite, 1970. | foto A. van Wyngen, ZB Bibliotheek van Zeeland recordnummer 64975

1972: Werkzaamheden in de Vitrite. | foto A. van Wyngen, ZB Bibliotheek van Zeeland, recordnummer 857

door Albert Kort

Terwijl de meeste van mijn klasgenoten na de middelbare school de provincie verlieten om in Amsterdam of Utrecht te gaan studeren, zocht ik werk. Niet omdat ik een baantje nu zo leuk vond, maar ik zag er tegenop om naar de grote stad te verhuizen en daar mijn intrek te nemen in een studentenkamertje ergens in een grauwe buitenwijk.

Pasfoto van mij, toen ik naar de keuring in Breda moest. | foto privéarchief Albert Kort

Van het kantoorwerk in Goes had ik echter al snel genoeg. Bovendien hing het vervullen van de militaire dienstplicht als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Vrijgesteld was ik niet, ik was immers geen kostwinner. Mijn oudste broer wel, want die was al heel vroeg getrouwd en kostwinner van een gezin. Zover was ik nog niet, ik had niet eens een vriendin.

Met een studie was echter uitstel mogelijk. Aan mijn studiejaren in Amsterdam kwam echter na vijf jaar een einde. En ik was nog maar nauwelijks neergestreken op mijn vertrouwde nest in Goes, toen ik een oproep kreeg voor de militaire keuring in Breda. Ik kon er helaas niet onderuit.

De dag van de keuring staat me nog bij. Met een stuk of dertig andere dienstplichtigen werd ik een lokaal binnengeleid, waar we aan allerlei intelligentie-tests werden onderworpen, om vervolgens naar een gymzaal te gaan die volgestouwd was met allerlei ‘martelwerktuigen’, die me deden denken aan de door mij zo verafschuwde gymlessen op de middelbare school.

In de middag volgde een gesprek met de psycholoog. Toen ik binnenkwam, moet hij zijn geschrokken, want ik dacht uit zijn mond het woord ‘Jezus’ te horen! Het kan pure verbeelding zijn geweest, of misschien leek ik in zijn ogen toch wel wat op Onze Lieve Heer. Ik herinner me nog dat hij vooral geïnteresseerd was in mijn seksuele geaardheid. Hoe stond het met mijn belangstelling voor meisjes?

Poster van de Vakbond voor dienstplichtigen

Die was kennelijk in orde, want een paar dagen later kreeg ik tot mijn grote teleurstelling te horen dat ik was goedgekeurd.

Wat kon ik nu nog doen om uit dienst te blijven? Tijdens mijn verblijf ik Amsterdam had ik van mijn medestudenten gehoord dat je je vrij eenvoudig kon laten afkeuren door te doen alsof je ‘gek’ was. Je had dan kans op een zogenaamde S5-verklaring: het bewijs dat je geestelijke stabiliteit onvoldoende was. En warempel, dat lukte me. Vraag me alleen niet hoe ik dat voor elkaar kreeg.

foto boven: Nederlandse dienstplichtige militairen. | foto Nationaal Archief 1974

door Allie Barth

In mijn Middelburgse lagere schooljaren liepen wij vanaf de Sportlaan dagelijks de stad in om naar school te gaan en dan kwamen we altijd over en langs het Molenwater, waar een aantal fraaie kastanjebomen stond. Vele maanden bekommerden we ons niet om die bomen. Pas wanneer de kastanjes duidelijk zichtbaar aan de takken hingen, kwam de jeugd in actie.

Niet wachten tot het moment dat de bomen zelf, al dan niet met hulp van de wind, hun kastanjes lieten vallen, maar al veel eerder, kwamen de jongens zo in de leeftijd van tien tot zestien jaar in actie om met een knuppel de kastanjes uit de bomen te gooien. De oudsten regeerden er de jongsten. Die mochten niet eens de kastanjes oprapen maar werden op wacht gezet voor Tolletje Pik. Dat was een al wat oudere politieman, die ongetwijfeld een oude bepaling uit de plaatselijke politieverordening al dan niet op bevel van zijn superieur tot leven bracht. “Het is verboden om uit den hier ter plaatse staande kastanjebomen in den herfst de kastanjes door middel van een houten of ijzeren stok te knuppelen.”

En altijd kwam Tolletje Pik op een andere plaats het Molenwater op dan we verwachtten. Werd je door de man gegrepen, dan was je de kastanjes kwijt en schreef hij je naam op. Je zou er nog wel meer van horen. Was je brutaal dan mocht je mee naar het politiebureau op de Dam. Dat was dan de totale vernedering voor het oog van al je vrienden.

En wat deden we nou met die kastanjes? Eigenlijk niks. Je kun ze uithollen met het aardappelschilmesje van je moeder die dan weer kwaad was dat het mesje zo bot geworden was. Je maakte er onderaan een gat in, waardoor een rietje gestoken kon worden, zodat je een pijpje kon roken. Dat lukte nooit of te nimmer. Het duurde niet lang voordat de kastanjes werden weggegooid. Maar eenmaal stopte ik een vijftal in de aarde van de tuin. In de loop van de daaropvolgende lente en zomer stonden er toen plotseling een drietal kastanjeboompjes boven de grond, waarmee mijn vader dan weer niet gelukkig was. Boompjes eruit. Van de weeromstuit in de daarop volgende herfst maar weer knuppelen en goed opletten voor Tolletje Pik.

Foto: Een openstaande kastanje. | foto Wikimedia

door Frans van de Velde

Voor het ‘terugkieken’ op deze website kom ik vaak terug op allerlei vormen van dienstbaarheid op straat. De straatvegers, melkboeren en bezorgers: ze zijn allemaal verdwenen. De meesten voorgoed.

Met de post gaat het ook snel. Geen bezorging meer op maandag en het aantal dagen dat je thuis een lege brievenbus aantreft neemt toe. Gelukkig zijn er nog tijdschriften en wordt hij ook dankbaar gebruikt door de krantenbezorger.

Geboortig uit 1952 heb ik welbewust meegemaakt dat de post twee keer per dag werd opgehaald, misschien zelfs ’s avonds nog een derde keer. En kwam de bezorger toen ook nog twee keer per dag? Vroeger wel, toen eigenlijk alle informatie door de postorganisatie werd geregeld. Je zette simpelweg straatnaam en huisnummer op de envelop met ALHIER eronder voor eigen dorp of stad of de naam. Niets postcode! Want alle post ging naar het lokale postkantoor om te worden gesorteerd.

Het postkantoor van Vlissingen aan de Stenen Beer wordt vaak aangeprezen als het mooiste gebouw in Vlissingen ooit. Prachtig gelegen bij het Dok van Perry was het prima bereikbaar. Ik was als jongetje zwaar onder de indruk van de grote hal met de vele loketten. Een stuk of acht en vaak allemaal bemand. Ik denk letterlijk – vrouwen kwamen later pas. De klant kon er naast de postdiensten ook terecht voor de giro, sportvisaktes en het overschrijven van auto’s op de naam van een andere eigenaar.

Elke dag lag er thuis wel post in de bus, de bezorgers droegen een echt uniform. En er stond altijd wel ergens een wit tentje. Wim Kan legde dit fraai uit: PTT stond voor ‘Putje graven, Tentje zetten, Tukkie doen’. Die tentjes zijn verdwenen, net als alle échte uniformen van PTT, politie en noem maar op. Het zijn een soort werkpakken geworden.

Het internet met haar e-mailfunctie heeft het postnetwerk geleidelijk gesloopt. In 2008 besloten TNT Post en ING alle postkantoren te sluiten. Dat kostte zo’n jaar of tien. Er kwamen op allerlei plaatsen verkooppunten voor terug, veelal in boekhandels zoals Geijsen in de Vlissingse Walstraat. Na jaren leegstand werd het grote postkantoor in 1991 gesloopt.

Wil of moet je nu een brief posten, dan is het zoeken geblazen. Ze blijken overal te zijn weggehaald, die oude, vertrouwde dubbele oranje brievenbussen!

foto: Eén van de laatste brievenbussen. | foto Frans van de Velde

door Mieke van der Jagt

Het zit er weer aan te komen: het carnaval. Leuk voor veel mensen maar niet voor mij. Ondanks mijn oerbrabantse geboortegrond Breda oftewel het Kielengat, maken ze mij niet blij met een optocht  of een verkleedpartij waarbij je je jas niet meer aan kan.

Hoewel mijn jeugd zich dus in Breda, om precies te zijn Ginneken, afspeelde, werden wij op school niet lastiggevallen met carnavalsvieringen. Ik zat op een christelijke school die gewoon vrijaf gaf in de week van aswoensdag.

Ik ben maar een keer met mijn vader, mijn moeder en mijn zus naar de optocht in de stad wezen kijken. Het was ijskoud en in mijn herinnering kwamen er alleen luid toeterende auto’s voorbij. Ze strooiden papiertjes in het rond en verder niks. Ik wilde meteen naar huis en mijn vader, die er toch al weinig zin in had gehad, wilde wel mee. Mijn moeder en mijn zus beweerden dat het later nog leuk was geworden, maar ik had voorgoed besloten dat het mijn ding niet was.

Veel later, eenmaal in Zeeland, heb ik wel nog leuke optochten gezien, zonder reclamestoeten. Maar eigenlijk was het altijd koud, veel te koud.

Natuurlijk deden wij wel mee met de verkleedpartijen in de buurt. Ik weet nog dat mijn moeder voor mijn zus en mij prachtige bloemenpakjes heeft gemaakt: katoenen bloemblaadjes in alle kleuren aan een rokje en op een mutsje. Alles op de groei natuurlijk; het kon jaaaren mee.

Maar we weten hoe het gaat met kinderen: ze willen precies hetzelfde als de rest. De foto moet in 1964 zijn genomen toen wij na veel zeuren ook een boerenkiel en een petje hadden gekregen. Op die kiel moest een rode boerenzakdoek worden  gedragen waarbij de punten bijeen werden geschoven met een luciferdoosje. Ik weet bijna zeker dat het Grutto-lucifers waren, het merk van De Gruyter. Daar deden ze bij ons de boodschappen en daar had  je ook het snoepje van de week, heel vaak de lekkerste butterscotchrepen die ik ooit gegeten heb.

Bij de standaarduitrusting hoorde ook een zwart nepzijden boerenpetje. Bij mijn zus had mijn vader er met krijt BOER KOEKOEK op geschreven en bij mij BOER BON PARMA. Het is daarom dat ik weet dat het 1964 moet zijn geweest  want iedereen had het over de vrijer van prinses Irene, met wie ze in april zou trouwen. Boer Hendrik Koekoek was de eerste populist van na de oorlog die met veel stemmen in de Kamer kwam. Om hem werd nog voornamelijk gelachen.

Mijn zus, die lange met de vlechten, en ik, degene die aan die baby staat te trekken, hebben in ieder geval onze jassen over de kielen aangetrokken. Ik ben misschien nog een paar jaar verkleed gegaan maar het carnaval is nooit mijn ding geworden; te koud, veel te koud.

foto: Carnaval 1964: Mieke en haar zus dragen een boerenkiel met een petje. | foto privéarchief Mieke van der Jagt

door Ali Pankow

Ze blijven maar door mijn hoofd spoken: de herinneringen die Kees Swenne (77) uit Noordwijk mij uitgebreid vertelde over zijn jeugd in Ouwerkerk. Ze houden mijn gedachten voorlopig nog wel even bezig nu de papieren versie van Zeeuws Weerzien met het thema ‘Communicatie’ net is gedrukt en de volgende Rampherdenking in het verschiet ligt.

Kees groeide op aan de Ring in Ouwerkerk in het woonhuis annex PTT-kantoor op de hoek. Hij vertelt me desgevraagd over ‘de stationhouder’, zijn vader Marien en zijn onbezoldigd, meewerkende moeder Sara Swenne. Zijn vader was niet zo’n prater, maar over zondag 1 februari 1953 vertelde hij later aan Parool-journalist Ed Hoornik wel dat zijn ouders buiten het dorp aan de Straatweg woonden. ,,Op de morgen van de Ramp heb ik met ze getelefoneerd en gevraagd te proberen naar het hoger gelegen dorp te komen. Ze waren niet ongerust. ‘We hebben een sterk huis’, zeiden ze. Als het eb zou worden, wilden ze naar het dorp komen, maar het werd geen eb. Het water bleef stijgen.’’ Het was het laatste telefoongesprek dat Marien Swenne met zijn ouders voerde.

Een pagina uit een oude telefoongids van Ouwerkerk.

,,Opa en oma en oom Jan, de jongste broer van mijn vader waren dus verdronken. Ik was vijf jaar en herinner me eigenlijk niet de emoties, alleen dat mijn vader en moeder op dat moment vooral bezig waren om met mij en mijn zusje van drie te overleven’’, memoreert Kees. ,,Op 2 januari voer een schipper (Hubrecht Koster, AP), tegen de ebstroom in door het gat in de dijk en door onze tuin. Hij legde aan bij bakkerij Van den Berge. Hij haalde de eerste mensen van het dorp. Met een latere boot werden wij als gezin geëvacueerd. Het PTT-station bleef onbemand achter. Ik hoor nog dat schuren van de bodem van het schip over metaal. Dat moet het omgevallen hek van de begraafplaats geweest zijn.’’

Het gezin Swenne reisde door naar Roermond. Daar woonde broer Wim van moeder Sara. Kees ziet het nog steeds voor zich hoe zij daar met z’n vieren voor de deur stonden. Uiteraard zonder aankondiging vooraf. Oom Wim deed de deur open zei: ‘Ja, dat docht ik wel!’

foto boven: Een van de oudste telefoontoestellen uit Ouwerkerk (1915) is bewaard gebleven en heeft een ereplaatsje in de vergaderkamer in het Dorpshuis van Ouwerkerk gekregen. De telefoon staat vermeld in het telefoonboek van 1915.