Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Op 9 januari 1968 woedde er een grote brand in verschillende winkels in de Noordstraat in Terneuzen. Er werd groot -Lees meer
Voor Johan Westerweele uit Sint Anna ter Muiden leek eind jaren zestig een mooie carrière als wielrenner in het verschiet -Lees meer
Jopie Meerman verlangde altijd naar het eind van december, want dan kwam de oude traditie van de rommelpotterij tot leven -Lees meer
Rinus Willemsen heeft iets met hout en met verf. Dat is gekomen toen hij als klein jochie een figuurzaag voor -Lees meer
De moeder van Peter de Jonge had in de jaren zestig een bontjasje. Eind jaren zestig werd het dragen van -Lees meer
In 1968 maakte Sinterklaas in Veere zijn landelijke intocht. Het was een ijskoude dag en redacteur Jan Dirk van Scheyen -Lees meer
Ans van Nieuwenhuijze weet nog wanneer ze voor het eerst over de Afsluitdijk is gereden. Ze was op weg om -Lees meer
Ook al woonde Johanna behoorlijk afgelegen op de boerderij aan de Schroeweg, Sint Nicolaas wist haar toch wel te vinden. -Lees meer
In de jaren vijftig vertrokken zo'n half miljoen Nederlanders naar Canada, Amerika en Australië, in de hoop daar snel een -Lees meer
Rinus Willemsen denkt in zijn column terug aan zijn jeugd, toen zijn evenwichtsgevoel nog heel wat beter was, hoewel: niet -Lees meer
door Margreeth Ernens-Abrahamse

Het leek een doodgewone middag, die dinsdag 9 januari 1968.

We zaten braaf te luisteren naar de meester, die ons een spannend geschiedenisverhaal vertelde, toen er op de deur werd geklopt. De bovenmeester kwam binnen met een politieman. ,,Kinderen, we hebben een ernstige mededeling’’, zei hij, terwijl hij de politieman even toeknikte. Die posteerde zich breed voor de klas. ,,Zijn er in deze klas kinderen uit de binnenstad? Ja? Nou, jullie mogen niet naar huis, de hele binnenstad staat in brand.’’ Hij keek de klas even rond of zijn boodschap goed was overgekomen, draaide zich om en verliet met de bovenmeester het lokaal.

Ik schrok me wild en mijn vriendinnetje dat naast mij zat, ook. Wij woonden allebei in de binnenstad van Terneuzen… Niet veel later ging de schoolbel en we renden naar het fietsenhok. Daar stond mijn jongere broer al te wachten en met zijn drietjes raceten we in paniek naar huis. Achteraf onbegrijpelijk natuurlijk dat er geen enkele vorm van opvang was. Maar nee, ze lieten ons zomaar gaan, er werden zelfs geen vragen gesteld.

We namen de Axelsestraat, want aan het eind daarvan bij de Axelse Brug stond de frietkraam van de vader van mijn vriendinnetje, nét buiten de binnenstad. De binnenstad van Terneuzen was toen nog een eilandje en alleen bereikbaar via verschillende bruggen.

De frietkraam bleek geheel intact en er stond een grote massa nieuwsgierigen. Bij de brug werd alle verkeer tegengehouden, er mocht niemand meer in of uit de binnenstad, die gelukkig niet helemáál in brand stond. We zagen en hoorden de enorme vlammen van de brand die woedde op de Kop van de Noordstraat, de lange winkelstraat van Terneuzen. Er hing ook heel veel rook. Een brandweerman hield ons tegen. ,,Jullie mogen niet verder, kinders.’’ ,,Ja maar meneer, wij wonen daar!’’ Dit keer kregen we wat meer begrip en de brandweerman nam ons mee naar een rustig hoekje bij een van de brandweerauto’s. ,,Wáár wonen jullie precies?’’ Ik legde uit dat mijn broer en ik aan het andere eind van de Noordstraat woonden en mijn vriendinnetje nog wat verderop. ,,Weet je wat’’, zei de man vriendelijk, ,,jullie kunnen één van de bruggetjes over de sluisdeuren nemen, dan kun je over de Markt naar huis. Daar is geen gevaar.’’

Ineens klonk er een enorme klap en de brandweerman haastte zich weg. Wij fietsten via het kleine bruggetje voor fietsers en voetgangers, dat een stukje verderop over het kanaal lag, naar huis. Daar bleek alles in orde. Onze ouders hielden ons wel binnen, we mochten niet naar de brand gaan kijken.

De volgende dag hoorden we dat de meubelzaak van Naeye en kunsthandel Ter Nose geheel waren uitgebrand, zeven omliggende winkels hadden ernstige water-, rook- en brandschade opgelopen. De harde klap die wij hadden gehoord was het springen door de hitte van de glazen winkelpui van Jamin geweest. Volgens de krant bedroeg de totale schade ongeveer een miljoen gulden (met inflatie meegerekend zou dat nu ruim 3 miljoen euro zijn). Dat deel van de Noordstraat zag er een tijdje griezelig en spookachtig uit en het stonk er verschrikkelijk. Alles was door de vorst behangen met ijspegels. Gelukkig waren er geen slachtoffers gevallen, maar de schrik zat er goed in bij mij. Nog jarenlang heb ik nachtmerries gehad van uitbrekende branden.

foto’s uit de verzameling van J.L. Platteeuw, H. Hommers, familie de Feijter en afdrukken van negatieven dhr. P. v.d. Goes (1968)

De glazen pui van het tegenover de brandhaard staande pand van Jamin sprong door de hitte.

Het inferno woedde urenlang in de smalle Noordstraat.

door Peter Verdurmen

We schrijven het jaar 1969. Johan Westerweele uit Sint Anna ter Muiden ontpopt zich in dat bewuste jaar als een renner die meekan met de allerbesten.

In de Omloop van Zeeuws-Vlaanderen schrijft hij in de tweede etappe, Oostburg-Oostburg, geschiedenis. Solo, met wel 40 meter voorsprong op de nummer twee, komt de West-Zeeuws-Vlaming juichend over de meet. Op maandag staat de foto groot in de krant.

Bij Trico Noble-Acivit, de ploeg waarvan hij deel uitmaakt, keken ze er behoorlijk van op. Johan Westerweele: ,,Ze vonden me niet goed genoeg voor de Omloop. Daarom reed ik als gastrenner mee in de ploeg van Wielervereniging Zeeuws-Vlaanderen, die gesponsord werd door Braet Bouwstoffen.”

Trico Noble

De kopman van Trico Noble werd tweede in die etappe. Sindsdien heeft de ploeg Johan Westerweele nooit meer thuisgelaten, aldus echtgenote Joukje. In ’69 maakte de amateur ook indruk in het West-Vlaamse Ingelmunster, waar hij derde werd.
Trico Noble heeft een magische klank onder Zeeuwse wielerliefhebbers. De oprichters van de wielerploeg, de gebroeders Van Turenhout, hadden een textielfabriek in Aardenburg, gespecialiseerd in gebreid goed. De semiprofessionele ploeg, actief van 1968 tot 1973, vormde voor een aantal Zeeuwse renners, Cees Priem, Jan Raas, Kees Bal, Toine van den Bunder en Wim de Waal, de springplank naar een prachtige carrière.

Brutaal

Een dergelijk succes was voor Johan Westerweele niet weggelegd. Terugblikkend zegt hij erover: ,,Je moet brutaal zijn om ver te komen, dat zit niet in mijn karakter.”
Johan Westerweele, die opgroeide in een groot gezin met negen broers en zussen, had op aanraden van zijn vader de voetbal de voetbal gelaten. Senior zag in Johan een renner die het best wel eens ver zou kunnen schoppen. Z’n eerste koersfiets kocht hij bij Velo’s Pintelon, een bekende wielerzaak in Knokke-Heist, van geld dat hij verdiend had met aardappelen rapen. Hij kostte omgerekend 150 gulden.
De eigenaar van de fietsenzaak had een eigen wielerploeg: de jonge, gedreven West-Zeeuws-Vlaming zou er prima in passen dacht hij. De noeste trainingsarbeid leverde resultaat op: verschillende keren waren de bloemen voor Johan. Dat trok de aandacht. Trico Noble had interesse in hem. Westerweele hapte graag toe.

Wereld van verschil

De wielerploeg van de gebroeders Van Turenhout was een wereld van verschil in vergelijking met Pintelon. ,,We hadden een eigen mecanicien en ook verzorgers. De kleding werd gesponsord. Ook kregen we een flinke stapel foto’s om uit te delen aan lokale fans. Dat waren er niet zoveel in mijn geval, Sint Anna ter Muiden is piepklein.”
In Olympia’s Tour, in mei 1970, koerste Johan mee met de allergrootsten onder wie Hennie Kuiper. Echt lekker ging het niet. In de ploegentijdrit moest hij lossen. In dat jaar boekte hij nog wel een overwinning, in de Ronde van Sluis. Het jaar daarna pakte hij de tweede plaats in het provinciaal Zeeuws Kampioenschap voor Amateurs.
Roem vergaren als renner bleek alras een onbereikbare droom, zeker toen hij kennis kreeg aan een Aardenburgse jongedame, Joukje de Jong. Het stel trouwde en kreeg al snel kinderen.

Lastige combinatie

Johan bleef nog een paar jaar koersen maar successen bleven uit. Het moet een bijzonder gezicht geweest zijn: als ze naar wedstrijden reden stonden op het dak van de auto een koersfiets en kinderwagen. Een lastige combinatie, zo bleek.  Joukje, lachend: ,,De laatste jaren was Johan kampioen afstappen.”
De Aardenburger, die na een aantal jaren in de bouw tot aan z’n pensionering de kost verdiende als schoenmaker, heeft nergens spijt van. ,,Het was een prachtige tijd”, vindt hij.

Foto: Johan Westerweele met z’n overwinningssjerp van ‘Oostburg-Oostburg’ en een van zijn bekers. | Foto Peter Verdurmen

door Jopie Meerman

Tradities, je kunt er niet omheen. Nostalgie, het blijft een goed gevoel. Daarom verlang ik altijd naar de laatste dag van december. Niet naar het vuurwerk, nee, naar de rommelpotten.

Maanden tevoren werd bij de slager gevraagd of hij een varkensblaas voor je wilde drogen. Die blaas ging over een conservenblik, rietje middenin en dan met een op– en neergaande beweging kwam het bijzondere, niet muzikale, foeke-foeke geluid eruit. Daarom werd het ook wel een foekepot genoemd.

We gingen als kinderen met een groepje langs de deur, belden aan en dan luisterde de bewoner naar jouw versje: ‘Klein zieltje, klein zieltje, zat achter de trap’. En dan kreeg je wat kleingeld.

Waarom Klein Zieltje? Ik weet het nog steeds niet. Op de andere dorpen op Tholen werden liedjes gezongen zoals : ‘Ik heb zolang met de rommelpot gelopen’, of ‘Hier woont wel een goede vrouw’. Ook weet ik dat ‘Schipper, schipper jij moet strijken’ klonk.

Langs de deuren gaan met die rommelpot had als oorsprong een bedelfunctie. Volksgebruiken hadden meestal te maken met armoede.

Eind 19e eeuw werden de rommelpotten op Tholen zelfs verboden. Een commissie ging een collecte houden om de armen van voedsel te voorzien met Kerst. Einde traditie? Nee dus. Er bleven altijd inwoners enthousiast en toen er te weinig ‘geschooid‘ werd langs de deuren, maakte Tholen Stad Actief zich sterk en zorgde er in 1997 voor dat er gezamenlijk rommelpotten werden gemaakt. Niet met een varkensblaas maar met plastic en die 150 rommelpotten gaven samen met de muziekvereniging Concordia een concert op de Markt. Daarna ging het naar Zorgcentrum Ten Anker, de bewoners genoten.

Andy van de Velde ging als Klein Zieltje pleiten bij de gemeente voor een herinnering aan dit eeuwenoude bezongen figuurtje. En dat bronzen Klein Zieltje van kunstenares Veronie Rens pronkt achter de trap in het gemeentehuis.

De meeste inwoners weten dat niet, net zoals zij het traditionele rommelpotten niet kennen. Want helaas, het ging voorbij en daarom schrijf ik erover. Bij ons zit het namelijk in de genen.

Foto: Mijn toen 90-jarige moeder Pie Ottevanger – Deurloo die nog met veel plezier het middeleeuwse instrument hanteert.

Eerst vlug de tafel afruimen

door Rinus Willemsen

Gisteren zag ik ‘m plotseling liggen: mijn oude figuurzaag. Ik was bezig mijn zolder op te ruimen en daar lag tie onder in de kast. Een grijze beugel met een rood handvat. Onwillekeurg pakte ik ‘m op en blies het stof weg. Maar hij bleef grijs, want zo was tie geverfd.

Ik denk dat ik tien jaar was. Mijn zus werkte in Zierikzee op het postkantoor als telefoniste. Vanuit Biervliet was dat een hele reis. Het duurde wel een halve dag. Ze was in pension bij de familie Timmerman, die een winkel had waar van alles te koop was. Ja, een soort bazar. Met verve kon ze erover vertellen. Met Sinterklaas kreeg ik van haar die zaag. Jongens, wat was ik er trots op. Mijn eigen figuurzaag. De andere week kwam ze met een klem en wat triplexhout naar huis. En een boekje met voorbeelden en daarin zat carbonpapier.

Uren aan een stuk zaagde ik. Na het eten ruimde mijn moeder de tafel af. ,,Zie zo”, dacht ik, ,,nu is tie van mij.” Het steunplankje vlug vastzetten en maar zagen. Op de grond lag een groot laken, want zagen zonder rommel te maken, dat is nu eenmaal onmogelijk. Dat had ik allang gezien bij de timmerman. Daar vloog het zaagsel van de zaagmachine door de hele werkplaats. Dat was natuurlijk bij ons de kamer niet de bedoeling.

Een keer zaagde ik een zittende vogel uit. Met een lange staart die naar beneden wees. Dat was een hele opgave, want die ronde vormen waren best moeilijk. Ik denk dat het een soort papegaai was. In elk geval verfde ik het beest met allerlei bonte kleuren. Na de vernislaag kwamen er vijf spijkertjes in, waaraan sleutels kwamen te hangen. Ja, sleutels, zeg. Eigenlijk hadden we er maar één. Net van de voordeur. Op de achterdeur zaten twee grendels en in de schuurdeur… Daarin zat geen slot. Ja, vroeger was dat niet zo nodig. O ja, die sleutels verfde ik ook nog in diverse kleuren.

Ik was er heel ‘ôôgvèrdig op. De vogel kwam dan ook op een prominent plekje in de kamer te hangen. Ik wist het zeker: ik zou later timmerman worden.

Nog altijd heb ik iets met hout. En met verf. Morgen ga ik nog eens proberen om iets te figuurzagen. Maar dan moet ik wel eerst zaagjes gaan kopen. Ja, bij ons in de buurt. Niet in Zierikzee hoor.

door Peter de Jonge

Mijn moeder had een jasje waar ze apetrots op was: haar ‘bontje’. Niet van een beschermde diersoort als de hermelijn, de nerts en al helemaal niet van piepjonge zeehondjes die uitsluitend voor hun prachtige vacht meedogenloos werden doodgeknuppeld op het poolijs. Maar wel van een echt dier. Volgens mij konijn, al was het daarvoor iets te donkerbruin. Misschien toch een sloddervosje.

Bont. Filmsterren droegen het, net als dames van stand. Toch pronkten ook de middelbare vrouwen uit ons arbeidersmilieu graag met hun bontje. Lekker warm in de winter en hoewel niet al te gek duur toch een tikje chique. Je voelde je even één van de madammen met een bontjas als je met daarmee naar de kerk of naar een feestje ging.

Zo was dat in de jaren zestig. Toen opkopers tussen kerst en oudjaar door de straten liepen en onbekommerd luidkeels ‘haze- en konijnevellen’ schalden om de ‘jasjes’ op te kopen van de Flappies, die de kerst niet overleefd hadden. De sfeer sloeg om toen de televisie de bloederige beelden van de zeehondenjacht vertoonde en dierenbeschermers een aksie startten tegen het dragen van bontmantels. Ineens deugde je niet meer als je je daaraan schuldig maakte.

Mijn moeder haalde aanvankelijk haar schouders op, want de beesten waarbij de vellen voor haar comfort waren uitgetrokken leefden immers toch al niet meer. Dus wie werd er nu helemaal mee geholpen als ze het kledingstuk in de kast liet hangen. Het had goed geld gekost. Toch begon ook haar geweten te knagen en naarmate de tijd vorderde bleef het jasje, dat kale plekken van het dragen had gekregen, steeds langer ongedragen.

In de Randstad had je eind jaren zestig, begin jaren zeventig al actiegroepen die jassen besmeurden met verf die niet meer te verwijderen was. Je moest dus goed op je tellen passen als je met zo’n dierenhuid de straat opging. Gek genoeg pakte niet mijn moeder, maar ík dat jasje regelmatig uit de kast als ik uitging. Geïnspireerd door een foto van de Rolling Stones uit Muziek Express waarop Mick Jagger een bontje droeg. Tot ook mijn schuldgevoel het won van de drang om er alternatief uit te zien en moeders bontjasje in een kledinghoes naar zolder verhuisde. Op zoek naar een uitmonstering voor een carnavalsfeest kwam het op een dag weer tevoorschijn. Na enige aarzeling heb ik het toch maar niet aangetrokken. Bij carnaval hoort immers alleen Brabants bont.

foto Peter de Jonge

door Jan Dirk van Scheyen

In 1968 was ik er bij toen de landelijke Sinterklaasintocht plaatsvond in het mooie Veere. Sinterklaas, gespeeld door de onvolprezen, in Vlissingen geboren acteur, goochelaar, buikspreker en producer Adrie van Oorschot (1920-2004) werd onthaald door een enthousiaste menigte terwijl tv-legende Mies Bouwman het feestelijke gebeuren van enthousiast commentaar voorzag voor de kijkers thuis. Want de intocht was ook toen al live op televisie te volgen.

Er is tegenwoordig wel eens gedoe rond Sinterklaasintochten. Maar vroeger konden ze er ook wat van, hoor! Want als je de krantenverslagen terugleest was het op die gedenkwaardige, ijskoude zaterdag 16 november zó druk in Veere dat vele kindertjes in het gewoel bijkans onder de voet werden gelopen, waardoor ze nauwelijks een glimp konden opvangen van de Sint.

Feest

Ikzelf kan me in elk geval niet heugen de kindervriend en diens hoofdpiet, gespeeld door Piet Römer, toen in levende lijve te hebben gezien. ,,Het had een feest moeten worden. Een kinderfeest, wel te verstaan”, schreef dagblad De Stem in een verslag op maandag 18 november. ,,Het is een beetje anders gelopen.”

Televisie-omroep NTS die de live-registratie verzorgde had de circa duizend schoolkindertjes uit Veere en omgeving die de aankomst van de stoomboot uit Spanje mochten bijwonen een eersterangs plaatsje langs de kade toebedacht. ,,Maar vele ouderen hebben die organisatie netjes in de war geschopt”, constateerde de krant ontstemd.

Draaiboeken

Alle mooie scenario’s en draaiboeken ten spijt raakte de in een rij opgestelde, klappertandende kinderschare die er reikhalzend naar uitkeek oog in oog te staan met de Sint, verward in een kluwen van dringende, duwende mensen die de goedheiligman óók wilden aanschouwen. Maar die even vergaten dat de kleintjes langs de waterkant niet over de hoofden van grote mensen konden kijken.

Open dak

Er werd tijdens de intocht door de NTS een auto met open dak ingezet waarin een filmcamera was geplaatst. De politie had de handen vol om er te midden van het geduw en getrek voor te zorgen dat deze personenauto ongehinderd Sint Nicolaas kon volgen tijdens diens wandeling richting het bordes van het stadhuis. Technici worstelden met kabels en snoeren om vooruit te kunnen komen…

Korte lontjes

Mensen aan wie werd verzocht een stap achteruit te gaan zodat de ‘rijdende’ camera-man zijn werk kon doen, gingen soms zelfs moeilijk doen, schreef De Stem-reporter.

Tja…, korte lontjes bestonden in die dagen kennelijk ook al…

Ikzelf vond het allemaal prachtig, ook al blies er die dag een snijdende koude wind door het stadje Veere. De drukte, de sfeer, de camera’s, de muziek, het maakte allemaal veel indruk. Ik weet nog dat ik samen met andere kids uitgelaten heb staan springen en zwaaien naar zo’n draaiende televisiecamera van de NTS.

Terug thuis, vertelden vriendjes me dat ze me live op tv voor de camera een soort dansje hadden zien doen. Tja, mij hadden ze gezien, maar ík de Sint amper… Ach wat maakte het uit. Ik was elf en geloven in Sinterklaas deed ik niet meer…

foto’s: Beelden van de landelijke intocht van Sinterklaas in Veere op zaterdag 16 november 1968. | Foto’s K. Tiggelman / Beeldbank Zeeland

De PZC van maandag 18 november 1968 besteedde uitgebreid aandacht aan de intocht van Sinterklaas in Veere. Sint wordt geflankeerd door (r) Mies Bouwman en burgemeester Adrie de Kam,

door Ans van Nieuwenhuijze

Mijn vader was vertegenwoordiger in landbouwmachines. Zijn rayon besloeg heel Nederland.

Als hij naar de kop van Noord-Holland en de Waddeneilanden of naar Groningen en Friesland ging, bleef hij daar overnachten. Als het kon bij familie en anders in een hotel.

Op de foto staan mijn ouders en ik op het erf van een boerderij in de Wieringermeer, om precies te zijn in het buitengebied van Wieringerwerf. We logeerden bij familie van mijn vader. En ik had één van mijn mooiste jurken aan.

De familie had een tienerdochter – Adrie – en die deed, samen met haar vriendin, wier naam ik niet meer weet, spelletjes met me. Ook wandelden we veel en ik werd voorgelezen. Ik voelde me vereerd met al die aandacht en ik genoot er dan ook volop van.

Er is een vrijwel identieke foto gemaakt, waarop die twee vriendinnen ook staan, maar die is niet geschikt voor publicatie: de bovenkant van mijn vaders hoofd verdwijnt in het witte randje van de foto…

Mijn broer was niet mee op die voor mij verre vakantie. Hij was op een zomerkamp op de Veluwe. Op de heenreis naar Wieringerwerf hadden we hem daar naar toe gebracht. We zullen hem daarna ook wel weer opgehaald hebben, maar dat herinner ik mij niet.

Een ander genoegen was het spelen met de hond die zeer aanhankelijk was. We hadden thuis geen huisdieren en dat maakte het extra leuk.

Ook maakten we uitstapjes, onder andere naar Den Oever, waar we over de haven wandelden. Eigenlijk vond ik dat niet erg bijzonder. We hadden thuis in Brouwershaven toch ook een haven met vissersschepen, al was die thuisvloot aanzienlijk kleiner dan de Noord-Hollandse.

Door de foto in mijn album weet ik wanneer ik voor het eerst van mijn leven over de Afsluitdijk ben gereden. Het was in 1956 in de groene Ford Anglia – een dienstauto die mijn vader ook voor privédoeleinden mocht gebruiken. Daar zal vast een regeling voor zijn afgesproken tussen de werkgever en mijn vader.

foto: Ans met haar ouders voor de Ford Anglia. | foto privéarchief Ans van Nieuwenhuijze

door Johanna Brouwer

Ook al woonden we behoorlijk afgelegen op de boerderij aan de Schroeweg, Sint Nicolaas wist ons toch wel te vinden.

De voorpret begon al weken tevoren met het oefenen van de sinterklaasliedjes. Omdat m’n moeder wel iets beters te doen had dan vier keer op een dag vier kilometer heen-en-weer fietsen om mij naar een kleuterschool te brengen, had zij zelf de taak van sinterklaasliedjes leren, matjes vlechten en punniken op zich genomen.

De liedjes zaten er ruim op tijd in om de Goedheiligman te verwelkomen op de Middelburgse kaai, en achterop de fiets ging ik met mama naar de stad. Al vanaf de Stationsbrug zag ik de stoomboot liggen aan de Loskade, tegenover hotel De Nieuwe Doelen. En heel toevallig stapte daar net de Sint naar buiten, vergezeld door zijn pieten! Hoe kon dat nou, hij kwam toch met de boot uit Spanje? Mama jokte vrolijk dat hij gisteren al gearriveerd was en dat hij vannacht in het hotel geslapen had.
Op de winderige en steenkoude Punt sloten we aan bij de andere moeders en kinderen en zongen uit volle borst het hele repertoire. En ja hoor, daar kwam de boot de hoek met het kanaal om. Daarna ging het snel: Sint kwam over de loopplank aan wal, schudde handen, klom op z’n paard, zwaaide wat en begon aan z’n rondrit door de stad. De pieten strooiden pepernoten en klein snoepgoed, maar ik was net niet handig genoeg om er ook een op te rapen. Dat gaf niet, zei mama, want vanavond mocht ik m’n schoen zetten en daar zou dan morgenochtend misschien wel wat strooigoed of zo in zitten.

Papa vond dat ik beter m’n klomp kon zetten in plaats van m’n schoen en dat was een goed idee. Ik vulde de klomp met stro, deed er ook een stuk van een winterpee in en zong me helemaal schor bij de kachel. En jawel, de volgende morgen was de klomp leeg en lag er een gevulde muis van chocolade in! Was dat even leuk.

Op de avond van 5 december werd het ritueel met de klomp herhaald en wat denk je: er stond de volgende morgen een schoolbordje naast de kachel, met een pakje gekleurde krijtjes erbij. Aan de bovenkant van het bord stonden letters en die tekende ik de hele dag na, natuurlijk.

Het was ook leuk dat het die nacht een beetje gesneeuwd had. Niet genoeg om een sneeuwpop te maken, maar ik kon wel goed zien dat het paard van Sinterklaas tot aan de achterdeur gelopen had en dat daar gemorst was met het stro.

Pas jaren later hoorde ik dat papa in alle vroegte het paard van stal had gehaald en daarmee wat heen en weer gelopen had over het erf.

foto: De Sint kwam ook bij Johanna thuis. Ze kijkt wat argwanend naar de Goedheiligman, want die heeft net zulke gymschoenen als papa. | foto privéarchief Johanna Brouwer

door Albert Kort

In de jaren vijftig maakten veel mensen zich zorgen over de toekomst van het land. De schaarste aan goederen, de nijpende woningnood, de strijd in Nederlands-Indië en de Koude Oorlog: dit alles zorgde voor de nodige kopzorgen.

Het was dan ook geen wonder dat een groot deel van de bevolking dacht aan een nieuw leven in het buitenland. Emigratie bood de hoop op een betere toekomst, vooral voor degenen met een groot gezin, werklozen en boeren die weinig perspectief zagen in het overvolle Nederland. In de jaren vijftig en zestig vertrokken maar liefst zo’n half miljoen Nederlanders naar landen als Canada, Amerika en Australië.

Eenmaal aangekomen in het nieuwe moederland bleek het leven vaak tegen te vallen. De snelle rijkdom en de banen lagen niet voor het oprapen. Als ze al het geluk hadden een baan en woonruimte te vinden, was het hard werken om het hoofd boven water te houden. Sommige mensen, zo werd me duidelijk uit een verhaal van mijn tante die rond 1960 met haar man naar Kalamazoo in Michigan was vertrokken, hadden zelfs twee banen nodig om aan voldoende geld te komen. Haar man had op Zuid-Beveland een zwaar leven als landarbeider achter de rug en had zijn hoop gevestigd op Amerika. Dat viel echter bar tegen. Hij moest zes dagen in de week in een fabriek werken, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.

Ook de integratie bleek lastig. Amerikanen, Canadezen en Australiërs waren bang dat de nieuwkomers hun banen inpikten.

Mijn tante bleef in Amerika. Dat gold echter lang niet voor alle emigranten. Ik herinner me een jongen van de lagere school die met zijn ouders na de Tweede Wereldoorlog naar Australië was geëmigreerd, maar al spoedig was teruggekeerd. Over de reden liet hij zich echter niet uit. Ook zijn vader en moeder wilden er niet over spreken. Was het omdat ze bang waren als ‘losers’ te worden gezien?

Dit laatste gold zeker niet voor alle terugkomers. De 72-jarige Dirk Kloosterman uit ’s-Heer Hendrikskinderen bijvoorbeeld vertelde enthousiaste verhalen over Amerika, het land waar hij jaren had vertoefd. ,,Bijna iedereen daar”, vertelde hij aan een journalist van het Zeeuwsch Dagblad, ,,beschikte over een auto en de winkels lagen volgeladen met artikelen waarvan je in Nederland alleen maar kon dromen.” Het luxe leventje daar kon hem echter niet bekoren en daarom besloot hij terug te gaan naar zijn vertrouwde dorp, waar hij in zijn ‘kleine lage woning zijn oude plekje’ weer opzocht.

foto boven: 1948: Kapitein G. Visser van de Kota Inten wijst een Zeeuwse familie de vaarroute naar hun nieuwe land Canada. De familie behoorde tot de eerste groep van 700 emigranten die vertrokken. | foto Zeeuwse Beeldbank, recordnummer 111266

1958: In de buitenhaven van Vlissingen ligt het passagiersschip ms Willem Ruys. Het schip nam 120 emigranten aan boord voor Canada, onderwie 100 vluchtelingen uit kampen in Duitsland en Oostenrijk. Voor de laatste groep werd de reis verzorgd door de Intergovernemental Commission European Migration. De Willem Ruys was voor dit doel gecharterd door de Europa-Canada-lijn, een Duitse maatschappij waarvan de grootste aandeelhouders de Holland-Amerika-Lijn en de Rotterdamse Lloyd waren. | foto Zeeuwse Beeldbank / W. de Bruine

door Rinus Willemsen

,,Gaot dat nog goed op de ladder?” vraagt de buurman, terwijl ik voorzichtig het zonnescherm bekijk. Dat doe ik elke herfst. Waarom, zal je vragen. ’t Is een gewoonte. Voor dat de winter komt, alles nog eens nazien en schoonmaken.

Inderdaad, een jaar of tien geleden ging me dat gemakkelijker af om op de ladder te staan. Maar je moet niet te vlug opgeven. ,,In beweging blijven”, zegt mijn dokter. ,,In beweging blijven en niet opgeven, maar je moet wel naar je lichaam luisteren.” En met die boodschap stapte ik zijn spreekkamer uit. Dat was gisteren en daarom heb  ik vandaag de ladder tegen de achtergevel gezet.

M’n evenwicht was vroeger best goed. Ik kon al vlug op m’n fietsje door de straat rijden. Ook mee losse handen. Ja, dat zeiden wij altijd. ‘Losse ‘ annen’.  Alsof ze los en vast gemaakt konden worden aan je onderarmen. Nog moeilijker was het met de handen in je broekzakken te fietsen. Dat deden we als we naar Terneuzen reden, naar de middelbare school. Joengers, wat reed dat lekker door de polders. De wind in je rug. Soms reden we zo met z’n drieën naast elkaar. En vallen? Bijna nooit.

Weet je wat me niet gemakkelijk afging? Op bussen lopen. Je weet wel, onder elke voet een leeg conservenblik met daaraan een touwtje. Dat ging niet vlug bij mij. Andere jongens en meisjes uit m’n klas waren rapper dan ik was. Hoe komt dat, vraag je je af? Heeft dat iets met evenwicht te maken?

Ik denk het wel, want ook op mijn schaatsen stond ik niet zo stevig. Ik weet nog dat er een schaatswedstrijd was voor jongens en meisjes. We moesten ongeveer 50 meter heen en 50 meter terug. Het verging me slecht. De schaatsen (met linten) slingerden onder mijn schoenen. Bijna iedereen was al rondom de paal gereden, toen ik daar pas aankwam. Ik had ze allemaal al tegengekomen…

Eén keer was er een soort circus bij ons in Biervliet. Ik zat toen in de derde klas en ging natuurlijk ook kijken. Er was een staaldraad gespannen vanaf een zware vrachtwaren naar halverwege de kerktoren. Daarover liep een meisje met een lange evenwichtstok. Ze begon beneden en stapje voor stapje ging ze schoorvoetend omhoog. Onderweg moest ze natuurlijk een paar keer d’r evenwicht zoeken. Om de spanning op te voeren. Gelukkig viel ze niet, want bij de toren was het zeker vijftien meter. Als je dan zou vallen, dan zou je even een smak maken. Toen ze de torenmuur aanraakte, draaide ze zich om en wachtte even. Op applaus. In de avondstilte klonk dat davend over het hele dorp. Mensen die er niet bij waren, kwamen maar al te vlug naar buiten. ,,Wat is t’r gaonde?” klonk het uit iedere voordeur.

Na dat meisje kwam er een knul met een motor. Met z’n drieën zetten ze die motor zonder banden op de draad. Onze jonge gast startte z’n motor. Mensen, wat gaf dat een geluid. En een rook. Voorzichtig reed hij een paar meter en keerde terug. Zou die het niet aandurven? Bel jao, want een paar tellen later reed ie moeiteloos over de strakke draad naar de toren. Toen die daar bijna was, ging hij op het zadel staan. ,,Je moet het mao durven,” zei de postbode vol ontzag. Nog eens ging hij omhoog. Nu met het meisje staande op z’n duozit.

Kijk, toen ik van de ladder afdaalde bij mijn zonnescherm, schoot me dat staaltje bravoure door mijn hoofd. ’t Is zeker 70 jaar geleden en het staat me nog helder voor m’n geest. Zulke dingen hebben jullie zeker ook nog wel eens?

foto: Schaatsen op de Brandput in Biervliet, winter 62/63. | foto archief Rinus Willemsen