Verhalen over herinneringen

De verhalen die in de papieren krant Zeeuws Weerzien verschijnen, zijn ook hier te lezen. Zo blijven ze ook voor de jongere generatie bewaard. Iedere uitgave van de krant heeft een eigen thema.

Veel leesplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Klik op de knop en bekijk en download alle themanummers van Zeeuws Weerzien.

Onze oosterburen komen sinds de oorlog graag naar Zeeland om er vakantie te vieren. Hoewel ze wel eens achterdochtig werden -Lees meer
Leo van Egeraat was in de jaren zestig befaamd onder toeristen. Hij presenteerde op radio en televisie de mooiste plekjes -Lees meer
André van Duin en Janny van der Heijden meerden twee jaar geleden af in Arnemuiden voor hun tv-programma 'Denkend aan -Lees meer
Toenmalig gemeentesecretaris van Renesse, Jan Willem de Jonge, was de drijvende kracht van de oprichting van de Stichting Renesse. Hij -Lees meer
In de jaren vijftig was het geen gemeengoed dat mensen op reis gingen tijdens de vakantieperiode. De zeventigers en tachtigers -Lees meer
Truus Seepers (74) uit Vlissingen was in de jaren zestig VVV-informatrice. Dat was een drukkke baan, zeker in het hoogseizoen, -Lees meer
Albert Kort ging in 1964 voor het eerst op vakantie, helemaal naar Neede. Het was een lange autotocht om er -Lees meer
In de jaren vijftig en zestig verbleven jongeren in de vakanties vaak in jeugdherbergen. Daar golden strenge regels en de -Lees meer
In dit zomerse nummer van Zeeuws Weerzien trekken we het gebreide badpak nog eens aan. -Lees meer
Koning Willem-Alexander dronk als 14-jarige kroonprins voor het eerst uit de beroemde Maximiliaan-beker van Veere. Dat gebeurde tijdens het Koninginnedag-bezoek -Lees meer
THEMAKRANT ZEELAND EN ORANJE (editie 20,MAART 2024)

 

door Jan Dirk van Scheyen

Vakantie in Zeeland. Dan denk je toch al snel ook aan onze oosterburen. Want Zeeland is een geliefde vakantiebestemming voor Duitsers. Vooral inwoners van het aan ons land grenzende Noordrijn-Westfalen trekken in de zomer massaal naar ons gewest om te genieten van zon, zee en strand. En dat begon al relatief snel na de oorlog.

Luttele jaren na de bevrijding werden Duitse toeristen alweer verwelkomd in Zeeland. Aanvankelijk tuften ze soms zelfs op de brommer helemaal vanuit hun thuisland richting Zeeland om er hun vakantie door te brengen.

Zimmer Frei

Wie in de vroege jaren zestig door een Zeeuws kustdorp wandelde, ontwaarde her en der bordjes met de tekst Zimmer Frei of Zimmer mit Frühstück achter de ramen van de woningen. Duitse vakantiegangers konden er een kamer met ontbijt huren terwijl de bed & breakfasts nog uitgevonden moesten worden.

Het gebeurde ook dat in Zeeuwse boerengezinnen in de zomer de kinderen verplicht werden in de schuur te slapen, zodat hun slaapkamers konden worden verhuurd aan Duitse toeristen. Er kon op deze manier een leuk centje worden bijverdiend aan de buitenlandse badgasten.

Achterdochtig

Natuurlijk werden Duitsers soms achterdochtig bekeken. Tot in de jaren negentig vroegen we ons wel eens af wat die oude oosterbuur op het strand in de oorlog had uitgespookt… En dan was er natuurlijk die grap over die Duitse toerist met maar één been. ,,Het andere heeft hij in Stalingrad laten liggen.’’ En laten we niet vergeten dat de verloren WK-finale van 1974 óók ons Zeeuwen nog altijd niet lekker zit. Niet elke Zeeuwse campinghouder nam de moeite om Duitse gasten die in het Duits het woord tot hem richtten in het Duits of Engels te antwoorden. Ze moesten óns maar verstaan…!

Het kan verkeren. Van een invasie van Duitse soldaten naar een invasie van Duitse toeristen. Wie kon dat bevroeden? Net zoals niemand waarschijnlijk had verwacht dat de Volkswagen Kever – eens Hitlers lievelingswagen – na de oorlog zou uitgroeien tot de favoriete auto van de Nederlanders.

Kleinschaligheid

Een Duitse studente onderzocht in 2012 waarom haar landgenoten zo graag naar Zeeland komen. De eerste reden zou de beperkte afstand zijn. Vanuit het zuidwesten van Duitsland is de Zeeuwse kust namelijk dichterbij dan de Duitse kust. En Duitsers zijn dol op het Zeeuwse strand.

Maar de oosterburen waarderen ook de kleinschaligheid en overzichtelijkheid van Zeeland. Strand, winkels en mooie wandelgebieden liggen dicht bij elkaar. Ze prijzen daarnaast de combinatie van rust en levendigheid. En dat een of andere grapjas ooit op de uit de Tweede Wereldoorlog stammende mitrailleurbunker op de Vlissingse Nolledijk met witte verf ZIMMER FREI heeft gekalkt… ach, daar kan vandaag de dag zelfs een Duitser om lachen. Zij het niet bulderend.

foto: Het gezin Minderhoud uit Westkapelle met hun twee zoons gebroederlijk op de kiek met vijf kinderen van Duitse vakantiegangers, circa 1953. | Foto ZB | Beeldbank Zeeland, rec.nr. 57050

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

door Albert Kort

Dr. L. (Leo) van Egeraat was voor veel mensen in de jaren zestig een begrip. Zijn populariteit als tv-spreker viel samen met de grote opbloei van het toerisme in ons land. Bij zijn collega’s van de VARA werd hij zelfs dr. V.V.V. van Egeraat genoemd.

Iedere uitzending bereidde hij tot in de kleinte details voor. Gezeten achter een immens bureau prees hij in bloemrijke taal en met behulp van filmpjes en foto’s de mooiste plekjes in binnen- en buitenland aan. Voor de radio hield hij honderden praatjes en hij schreef zo’n zestig reisgidsen over provincies in eigen land en verschillende Europese landen. Dat hij populair was, blijkt uit de soms wel meer dan tweeduizend brieven die hij iedere week ontving.

Koekoeksklok

Zijn mening over bepaalde gebieden of culturen stak hij niet onder stoelen of banken. Zo prees hij de schoonheid van het Zwarte Woud, maar keek neer op de cultuur daar, die volgens hem met de productie van de koekoeksklok zijn hoogtepunt wel had bereikt.

Verder had hij een uitgesproken mening over de moderne jeugdcultuur die volgens hem de rust op het platteland bedreigde. Toen hij bijvoorbeeld een keer op een zondag Goes bezocht, ergerde hij zich groen en geel aan het lawaai van ‘bromnozems’, die daar op de markt rondjes reden, gezeten op hun Puch, Tomos of Kreidler.

Autoriteit

Van Egeraat werd door velen bekritiseerd en vanwege zijn vaak belerende toon en Brabantse tongval bespot. Maar voor het publiek was hij een autoriteit aan wiens oordeel over vakantiebestemmingen niet werd getwijfeld. Mijn vader liep met hem weg. Als we op vakantie gingen, had hij altijd wel één van zijn vele reisgidsjes bij de hand, zelfs al gingen we niet verder dan Zeeuws-Vlaanderen of Zuid-Holland. Ik weet nog goed, dat het 128-pagina’s tellende boekje Het onbekende Nederland – Zeeland / Zuid-Holland / Westelijk Utrecht  jarenlang bij ons in de boekenkast stond.

foto boven: Leo van Egeraat was  een begrip voor reizigers in de jaren zestig. | foto Wiki/Beeld & Geluid

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

Cover boek Stichting Zeeuwse Visserstruien

Wat voelt er meer als vakantie dan met een schip over de Zeeuwse stromen varen, aanleggen in de mooie Zeeuwse havens en genieten van wat de Zeeuwse eilanden te bieden hebben?

Dat dachten André van Duin en Janny van der Heijden met hun tv-programma ‘Denkend aan Holland’ ook! Het is al weer twee jaar geleden dat zij met hun bootje door onze mooie provincie voeren en tijdens hun reis door Zeeland legden zij hun schip aan in Arnemuiden, onze thuishaven.

Slangen

Eigenlijk was het de bedoeling dat vooral de Arnemuidse dracht in beeld zou komen, maar toen er een echte originele Zeeuwse visserstrui voor de camera schoof werd dát het onderwerp van gesprek. De ‘trui met slangen’, waar alle projecten rondom Zeeuwse visserstruien mee zijn begonnen.

Speciaal naar aanleiding van het tv-programma hebben we een kleine uitgave gemaakt, een e-boek met alle uitgeschreven patronen rondom de slangen, een recept en vergeten beroepen zoals dat van de orgeltrapper.

Bent u nieuwsgierig geworden? Het e-boek van 64 pagina’s is te koop in de webshop van Stichting Zeeuwse Visserstruien en als u garen koopt voor één van de patronen bij ‘Blij dat ik brei’ in Arnemuiden krijgt u het e-boek er gratis bij. https://visserstruien.eu/shop/Een_trui_met_slangen/

foto boven: (Vlnr): Jeanet Jaffari, Janny van der Heijden, André van Duin en Ali Jaffari. | Foto Aart van Belzen

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

door Ali Pankow

In mijn fantasie zie ik hem voor me, nippend aan een kopje thee achter zijn bureau: Jan Willem de Jonge, toenmalig secretaris van de gemeente Renesse, kort na de Tweede Wereldoorlog. ‘Toerisme moet de redding worden voor de Westhoek van Schouwen’, spookte er door zijn hoofd.

De Jonge constateerde op jonge leeftijd al dat mensen behoefte kregen aan vertoeven in de natuur en het leuk vonden hun voeten te wassen in de zee. Hij zag ook dat daar geld aan te verdienen viel. Als de zomergasten op zaterdag uit de tram stapten, stonden enkele middenstanders gereed om de lijstjes in ontvangst te nemen voor de boodschappen, die ze later op de dag zouden bezorgen bij de vakantiehuisjes.

De oorlog blokkeerde de ontwikkeling van deze initiatieven. In 1945 lag de Westhoek er desolaat bij: versperringen op het strand, bunkers in de duinen en veel zomerhuisjes waren in opdracht van de Duitsers gesloopt.

Vooruitziende blik

,,Er moet veel gebeuren om recreatie hier een kans te geven’’, moet De Jonge gedacht hebben. Met zijn vooruitziende blik ontwikkelde hij een plan: ‘Stichting Renesse’ en kreeg een luisterend oor bij burgemeester Gerard Lunsing Tonckens.  Beiden waren ervan overtuigd dat projectontwikkelaars van buitenaf geweerd moesten worden door bundeling van krachten en land binnen het eigen gebied. Zo kon ook het toekomstig kapitaal binnen de eigen gelederen blijven.

,,Het doel van deze stichting is lijn te brengen in het bouwen van zomerhuizen, aanleggen van wegen en beplantingen’’, motiveerde de burgemeester. Hij en De Jonge moesten stevig bepleiten dat de stichting los van de gemeente moest komen te staan. Dat zou effectiever werken. Op 29 januari 1953 werd de Stichting Renesse officieel opgericht en kreeg zij 100 gulden van de gemeente als startkapitaal. Drie dagen later voltrok de Watersnoodramp zich.

Geschenkwoningen

De Ramp zette voor de Stichting Renesse de ontwikkelingen juist sneller in gang: vijftig Oostenrijkse geschenkwoningen kwamen in beheer van de stichting, grondaankopen verliepen in die chaotische periode soepeler en er kwam een Deltaplan dat het eiland ging ontsluiten. De Stichting Renesse heeft haar zelfstandigheid immer met succes bevochten. Zij beschikt als privaatrechtelijke organisatie nu over een flink eigen vermogen. Per jaar wordt ongeveer een half miljoen aan subsidies uitgekeerd.

foto: Gemeentesecretaris Jan Willem de Jonge. | Foto: Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr W-0302

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

door Peter Verdurmen

Het zijn sportievelingen. Elke maandagmorgen rond de klok van half tien starten ze de benenwagen. Regen of geen regen, en er is wat gevallen de laatste tijd, zomer en winter. De zeventigers en tachtigers maken iedere week een flinke wandeling rond het dorp IJzendijke.

Na een uur zijn ze terug in soosgebouw ‘De Zwaluw’ aan de Rozemarijnstraat. Tijd om onder het genot van koffie gezellig bij te kletsen. We schuiven aan. Het onderwerp van gesprek is vakantie. Wie is er in zijn jeugd, we hebben het over de jaren vijftig, wel eens op vakantie geweest? Iedereen kijkt elkaar aan, het blijft oorverdovend stil. Helemaal niemand? Jannie Bax antwoordt als enige: ,,We zijn met het gezin wel eens in de Hoge Venen in België op vakantie geweest. Moeder spaarde er speciaal voor. Op vakantie gaan was in die tijd geen vanzelfsprekendheid.’’

Niet zeuren

Omdat de centjes voor een vakantiereis ontbraken bleven de kinderen niet zeuren. ,,We accepteerden dat gewoon’’, aldus Jannie. ,,Ik ben opgegroeid in Amsterdam. Met z’n allen fietsten we naar Zandvoort. Dat is toch al gauw anderhalf uur trappen. Op het strand vermaakten we ons kostelijk. Brood en drinken namen we mee van huis.’’

Boudewijn Impens, geboren en getogen in IJzendijke, kwam in de zomer ook wel eens aan het strand. Het zijn de enige vakantie-uitjes die hij zich kan herinneren uit zijn jeugdjaren. Zijn vader, handelaar van beroep, ging de boer op met schoenen en klompen. Een auto gaf bewegingsvrijheid.

Alleen met de trein

Jotie Kruidenier-Sanderse, een Vlissingse wiens vader werkte op scheepswerf De Schelde, mocht als kind best al veel. Ze was 9 of 10 toen ze in de vakantie uit logeren ging bij familie in Amsterdam. ,,Alleen met de trein, dat was wat. Bang? Nee hoor. Er was geen reden om angstig te zijn’’ Na haar pensionering heeft de IJzendijkse onderwijzeres samen met echtgenoot Wim de schade ruimschoots ingehaald. Beiden genoten met volle teugen van de verre reizen.

Voor Herman Hamelijnck, die als kind de bevrijding van IJzendijke meemaakte, was de wereld klein. Van het buitenland wist je nauwelijks iets. Niet erg hoor, vindt Herman. ,,Voetballen, hutten bouwen, spelletjes, we verveelden ons nooit in de vakantie.’’ Veel later trok hij er met vrouwlief met de caravan regelmatig op uit. Schotland, Noorwegen, de Alpenlanden, het was puur genieten voor het stel.

Naar het zwembad

Lucie Buyck is een boerendochter. Reizen zat er niet in. ,,We hadden een gemengd bedrijf. Als kind werkte je van jongs af aan mee. ’s Middags mochten we naar het zwembad in Aardenburg. Dat was het wel zo’n beetje.’’

In hun jeugdjaren ging bijna niemand op vakantie. Het leven was eenvoudig, je stelde geen hoge eisen, hoor je bij iedereen doorklinken. Het is geen heilig moeten geworden later, dat reizen. Lange rijen trotseren op Schiphol? Laat maar…

foto: Redacteur Peter Verdurmen trok er met zijn familie tijdens de vakantie met de fiets op uit. | Foto collectie familie Verdurmen

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

door Margreeth Ernens

Je bent op vakantie en het internet bestaat nog niet. Waar ga je dan naar toe om iets te weten te komen over de omgeving? De VVV natuurlijk.

Truus Sepers (74) uit Vlissingen werkte van 1966 tot 1968 bij de VVV in Vlissingen, eerst op het kantoor aan de Coosje Buskensstraat, later op het kantoor van de VVV bij het reisbureau van Van Fraassen aan de Paul Krugerstraat. En Truus stond alle toeristen te woord.

Nét van de mulo begon ze aan haar carrière als informatrice. ,,Toeristen kwamen naar Zeeland zonder dat ze een slaapplek hadden. En dan stapten ze bij ons binnen. Wij hadden ruim 300 adressen van mensen die aan slaapkamerverhuur deden. Die belden we dan of ze nog plek hadden voor logies met ontbijt.’’ Er werd ook doorverwezen naar hotels, pensions en campings. ,,We hadden voor alles gidsjes. Als Vlissingen vol zat, verwezen we door naar de dorpen, die hadden ook allemaal een VVV-tje. Toen werd er weinig van te voren geboekt.’’

In het hoogseizoen waren de zaterdagen lang: van 9 uur ’s ochtends tot 9 uur ’s avonds. Truus baalde daarvan want dan kon ze pas laat met haar vriendinnen afspreken. ,,Het liep soms de spuigaten uit. Zoals die keer dat er een bus vol mensen uit Duitsland arriveerde. De directeur was vergeten dat te regelen en we konden de mensen niet meer kwijt. Alle verhuuradressen waren bezet en hotels en pensions zaten vol. De politie is toen door Vlissingen gaan rijden met een megafoon. Ze vroegen zo wie er nog plaats had. Iedereen is toch nog ondergebracht, maar het werd wel een latertje.’’

Etiquette-les

Truus volgde cursussen voor informatrice bij de Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer, de overkoepelende organisatie van de VVV. ,,We kregen  etiquette-les en het was verplicht om een naaisetje bij je te hebben, mocht je eens een knoop verliezen. We moesten ook altijd een extra panty bij ons hebben.’’ Later volgde ze nog een LOI-cursus voor toeristisch informatrice. ,,Dat was ’s avonds en dat moest je allemaal zelf betalen. Ik heb nog gevraagd of de baas wilde bijspringen, maar hij zei dat mijn werk een soort erebaantje was en dat ik daar blij mee moest zijn.’’

Inspectie

’s Winters was er minder te doen en dan moest Truus op inspectie langs hotels en pensions. ,,Als snotneus van zestien, zeventien jaar vond ik dat nogal wat, maar ja, we moesten wel weten wáár we de mensen naar toe stuurden. Meestal kreeg je koffie als je kwam, soms werd er een cognacje aangeboden om me te paaien. Dat heb ik dus maar niet genomen, maar zij dachten dat dat goed voor de verhuur was.’’

De VVV verkocht toen ook treinkaartjes, tickets voor rondvaarten met de Barracuda om te gaan vissen en kaarten voor rondleidingen in Fort Rammekens. ,,Mensen kwamen vragen wat er zoal te doen was, musea, stad bekijken, plattegrondjes halen. We verkochten voor Van Fraassen ook dagtripjes en reizen naar het buitenland. In die tijd ging alles nog gewoon met de post, dus ik heb wel eens ’s avonds tickets moeten bezorgen, want die mensen zouden de volgende dag vertrekken.’’

,,Als je iemand had geholpen en ze vroegen wat het kostte, zei ik dat het gratis was. Eigenlijk moest ik dan vragen of ze iets in de pot op de balie wilden doen, maar dat deed ik niet, ik wilde niet schooien. Je was immers dienstverlener.’’

Foto: Truus op kantoor in 1967. | foto archief Truus Sepers

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

door Albert Kort

In de zomer van 1964 gingen we voor het eerst op vakantie. En vakantie betekende voor mijn vader: weg uit Zeeland.

Ofschoon hij een geboren en getogen Zeeuw was, had hij een hekel aan de vele uitstapjes die we tot dan toe naar de stranden van Dishoek of Domburg hadden gemaakt. Al dat zand en viezigheid, de overvolle stranden met al die krijsende en springende kinderen in zijn buurt: het was niets voor hem.

Albert Kort op de voorgrond en broer Stephan die in de Ford Anglia zit.

Hij verlangde in zijn vakantie naar rust en die kon je volgens hem beter in het oosten van het land vinden. En het moest een vakantiehuisje zijn met fatsoenlijke bedden en stoelen. Kamperen in een tent of caravan vond hij iets voor armoelijders.

De keuze viel op Neede in de Gelderse Achterhoek. Nadat de dag tevoren de auto – een spiksplinternieuwe Ford Anglia – met bagage was volgeladen, vertrokken we ’s morgens vroeg uit Goes. Vader en moeder voorin. Mijn twee broers en ik op de krappe achterbank, voortdurend ruzie makend over wie er in het midden moest zitten. Want dat was de rottigste plaats. Je kon van daaruit niet zo goed uit het raampje kijken en door de hoge tunnel in de vloer zat je er niet lekker. Met het vertellen van verhaaltjes en het bedenken van raadseltjes wist mijn moeder de vrede tussen ons nog enigszins te bewaren.

Om de twee uur stopten we langs de kant van de weg voor een broodnodige pauze. Wij konden onze overtollige energie even kwijt en mijn vader kon bijkomen van alle inspanningen. Autorijden op vaak nauwe wegen was geen sinecure. Tussen Roosendaal en Breda lag een driebaansweg, waarvan de middelste baan door auto’s uit beide richtingen gebruikt kon worden om in te halen. Die weg had daardoor de angstaanjagende reputatie van ‘dodenweg’. Rondwegen bij grote steden waren er nauwelijks, waardoor je dwars door de centra werd geleid, voortdurend oplettend dat je geen afslag miste.

Telefoneren

In de tuin van het vakantiehuis in Neede.

Geen wonder dat we pas vroeg in de avond bij het vakantiehuisje in Neede arriveerden. Om oma te laten weten dat we veilig en wel waren aangekomen, belden we haar op. Afgesproken was dat ze de telefoon alleen maar een paar keer moest laten overgaan, dit om geld uit te sparen.

Van het weekje in Neede zijn me nog twee dingen bijgebleven. Allereerst het bezoek aan een Openluchtmuseum waar ik voor het eerst in mijn leven een plaggenhut zag. Wat was ik daarvan onder de indruk! Mensen die nog niet zo lang geleden in een vies en stinkend hol moesten leven. Ook het uitstapje naar Bocholt in Duitsland staat nog in mijn geheugen gegrift. Het was voor het eerst dat ik in Duitsland kwam en ik mocht daar van de paar Duitse Marken die mijn vader nog in zijn portemonnee had drie prachtige Romeinse speelgoedsoldaatjes kopen. Het zijn voor mij dierbare herinneringen.

foto boven: Een pauze tijdens de rit naar Neede. | Foto’s collectie Albert Kort

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

VERDWENEN BEROEP: de jeugdherbergvader

door Wim van Gorsel

Voor het eerst zonder je ouders op vakantie. In de jaren ’50 en ’60 deed je dat meestal in eigen land, soms in België of Luxemburg. Vaak ging dat gepakt en bezakt op de fiets, de brommer of (voor de wat grotere afstanden) met de trein. Eenmaal op je vakantieadres aangekomen (Amsterdam, de Veluwe en Valkenburg waren favoriet) overnachtte je soms in een klein punttentje op een camping, maar had je geen tent of hield je niet van kamperen, dan was de jeugdherberg zeker een alternatief.

Als je lid was van de Nederlandse Jeugdherbergcentrale (NJHC) had je voor een laag bedrag een dak boven je hoofd met ’s ochtends een degelijk ontbijt en ’s avonds een verantwoorde warme maaltijd. Je had geen eigen kamer, maar sliep in een grote slaapzaal, vaak in een stapelbed. Jongens en meisjes gescheiden! Het sanitair was sober en verder moest je soms ook helpen bij de afwas (corvee), een klusje waar de meesten overigens weinig trek in hadden.

Potige types

Jeugdherbergen lagen vaak op mooie, afgelegen locaties en waren veelal gehuisvest in voormalige scholen, kastelen, kloosters of andere ‘vergeten’ monumenten. De beheerders van de jeugdherbergen waren de zogenoemde ‘herbergvaders’ (soms in duo met een ‘herbergmoeder’). De herbergvaders waren vaak potig types, die vanachter een loketje instructies gaven en de huisregels opsomden, die meestal ook nog op een lijstje aan de muur hingen.

Zeeland telde in de jaren ’50 en ’60 jeugdherbergen in onder andere Axel, Bruinisse, Domburg, Scharendijke, Yerseke en Vlissingen. De jeugdherberg in Domburg bestond uit een barakkencomplex aan de Schelpweg tussen Domburg en Westkapelle, pal tegenover de plaatselijke golfbaan. Kort na de oorlog deden deze barakken dienst als opvanglocatie voor mensen die hun huis hadden verloren als gevolg van de inundatie in 1944.

Vanaf 1950 deed het complex 25 jaar dienst als jeugdherberg. In de jaren ’60 en ’70 zwaaide het echtpaar Lok als ‘vader’ en ‘moeder’ jarenlang de scepter over deze herberg ‘Nieuw Walcheren’, waar je voor zeven gulden vijftig per nacht kon logeren.

Licht uit

In de Domburgse jeugdherberg werden de jonge gasten iedere morgen met een plaatje gewekt en al om acht uur werd er ontbeten. ’s Avonds zagen ‘vader’ en ‘moeder’ Lok er persoonlijk op toe dat iedereen om half elf binnen was. Stipt om elf uur ’s avonds ging daarna het licht uit en werd iedereen geacht stil te zijn.

De heer en mevrouw Lok hielden de touwtjes in jeugdherberg Nieuw-Walcheren tot 1974 stevig in handen. Vanaf dat jaar nam het echtpaar Kok – slechts één letter verschil – het beheer over en veranderde het regime. De sluitingstijd van half elf werd afgeschaft en iedereen mocht binnenkomen wanneer men wilde en gecontroleerd werd er ook niet meer. Bovendien kwam er een bar en werd er alcohol geserveerd. ‘Vrijheid’, blijheid’ werd het parool en de herbergvaders en -moeders werden meer manager. De jaren ’70 waren nu echt aangebroken.

Veranderingen

Ook in Vlissingen zwaaide in de jaren ’60 een echtpaar de scepter over de sinds 1930 bestaande plaatselijke jeugdherberg. Bob en Mieke Kossen waren in die jaren de ‘vader’ en ‘moeder’ van jeugdherberg  ‘Scheldestroom’ aan de Breewaterstraat. In een interview in de zomer van 1970 met dagblad De Stem vertelde Bob Kossen dat hij vond dat de jeugdherbergen toe waren aan verandering. Kossen: ,,De individuele bezoeker ervaart de vastgestelde etenstijd en het gebrek aan privacy op slaapzalen toch als een onoverkomelijke zaak. Daarom gaan veel van onze vroegere bezoekers liever in een klein tentje op een camping staan waar ze kunnen doen wat ze willen. De jeugdherberg gaat bijvoorbeeld om half twaalf dicht. Ik zou het veel reëler vinden als je tot minstens twee uur nog binnen zou kunnen komen, maar het is gewoon niet haalbaar, omdat we daarvoor niet genoeg personeel hebben.’’

Kossen wees tot slot ook nog op de veranderende mentaliteit van de gemiddelde bezoeker: ,,Had je vroeger de sfeer van toffe jongens onder elkaar met mensen voor wie corveewerkzaamheden een doodnormale zaak was, tegenwoordig mag je blij zijn als je na de gezamenlijke warme maaltijden een paar mensen warm kunt krijgen om te helpen afwassen.’’

foto: De heer Lok, jeugdherbergvader van Nieuw-Walcheren in Domburg. | Foto: Jacqueline Midavaine, ca. 1970. Bron: ZB/Beeldbank Zeeland, rec.nr. 107490.

THEMAKRANT VAKANTIE (editie 21, ZOMER 2024)

 

Vakantie werd nog met een c geschreven. De eerste tenten leken zo uit het depot van het Ministerie van Defensie gevist. Caravans waren kotjes op wielen waarin je niet rechtop kon staan. En van campers had nog niemand gehoord. Behalve dan die verdwaalde hippie die van zijn busje een bloemenschilderij had gemaakt. In dit zomerse nummer van Zeeuws Weerzien trekken we het gebreide badpak nog eens aan.

door Jan van Damme

Kampeerterreinen aan de Zeeuwse kust waren er nog nauwelijks. Een enkele boer zag brood in dat volk dat zandkastelen wilde bouwen. Hij wist dat de vloed ongenadig was maar zweeg daarover. Als ze maar netjes betaalden voor een plekje in zijn schapenwei, dan werden er geen vragen gesteld.

Het was elke ochtend een fleurige stoet die met badhanddoeken, zonnehoeden en transistorradio’s achter de dijk verdween. Pas tegen de avond werd er in omgekeerde richting geparadeerd. Of eerder, als een onweersbui putjes in het zand had geslagen.

Ketelpak

Wij rukten juist in die vakantietijd uit met tractoren, aanhangers, stroladers, stropersen. De kraaien mochten van het dak vallen, ik had mijn ketelpak aan. Met een zekere trots, zeker als Randstedelijke leeftijdgenoten het over ‘dat boertje van buut’n’ hadden. Dan trok ik nog eens aan de gashendel van mijn Fordson Major, die vervolgens een – volgens mij dan toch – indrukwekkende rookpluim uit de uitlaat stiet.

Ondanks die zomerse boerennuchterheid moet er zo rond 1960 toch iets van het vakantievirus binnen ons gezin geslopen zijn. Het draaide allemaal om een schuurtje, een kotje zoals je er overal onderaan de binnendijken zag staan. Nog steeds. Of je nu rondfietst bij de Marolleput, of bij Mariekerke, Brijdorpe, Bakendorp of Stroodorp, er zijn altijd wel agrariërs die ergens een schuurtje hebben neergezet voor de opslag van kooiwielen, ploegen, cultivatoren.

Pipo

Mijn vader had zo’n kotje op de rand van zijn eigen akker, onderaan de zeedijk. Het was nog een fier bouwwerkje ook, opgetrokken met betonplaten en voorzien van een schuin aflopend golfplaten dak. In het voorjaar werden de wanden wit gesausd en een van mijn zussen schilderde er in felrode letters de naam op: Pipo. Het was, nou ja, niet luxe. Water betrokken we uit een tank die op een boerenkar naast het huisje stond. De wc was een plank met een gat erin. En er was een stapelbed dat ooit van veren was voorzien geweest. We zijn enkele jaren achtereen tegen het begin van de zomervakanties, dus voor de strotijd, in Pipo gaan zitten. Wat we er moesten doen, daarvan hadden we niet zoveel idee. Zandkastelen bouwen was iets voor Hollanders en Brabanders, of Duitsers die zachtjesaan weer durfden komen.

Die enkele vakantiedagen per jaar keken we vooral naar de tarwe die tot op een halve meter van het zomerhuisje was ingezaaid. We zagen de aren groeien.

Veldmuizen

Een meerderheid in het gezin telde al gauw meer na- dan voordelen van Pipo. Elk jaar schilderen, de niet te winnen strijd tegen veldmuizen, het drinkwater dat je eerst moest koken, de wc waarop je alleen met dichtgeknepen neus kon gaan zitten.

Er was niet veel overtuigingskracht voor nodig. Na een paar matig verlopen voorzomers kreeg de cultivator, een soort eg om de grond mee te bewerken, een plekje in Pipo. Ik denk dat ons hele gezin opgelucht adem haalde.

foto: Dit beeld van spelende kinderen op het strand van Zoutelande uit 1966 komt uit de collectie foto’s die Maarten Hardon maakte en die is geschonken aan de
Beeldbank Zeeland. Meer foto’s op pagina 8 en 9. | Foto: Maarten Hardon. ZB | Beeldbank Zeeland. Rec. Nr. 170656

THEMAKRANT ZEELAND EN ORANJE (editie 20, MAART 2024)

 

Adri Franke uit Veere nam naar een leesbijeenkomst foto’s mee van een koninklijk bezoek aan zijn woonplaats. Dat was in 1981, een jaar na de inhuldiging van koningin Beatrix, en de eerste keer dat ze op ‘koninginnedag nieuwe stijl’ met de hele familie het land in trok. Ze deed toen Veere en Breda aan.

,,Ik had als enige fotograaf tijdens een koninklijk bezoek toegang tot het stadhuis. Burgemeester Hack had zich hiervoor hard gemaakt. Onder strikte voorwaarden mocht ik aanwezig zijn en foto’s maken. Zonder flits.’’

Weggeduwd

Waar hij die voorkeursbehandeling aan te danken had? ,,Mijn vader was gemeentebode op het stadhuis en ik had een goede band met de burgemeester omdat ik door mijn activiteiten bij het jongerenwerk regelmatig contact met hem had. Omdat ik een perskaart had kon ik ook meelopen met de stoet. Op het Oranjeplein, waar kinderspelen waren, kwam ik blijkbaar te dicht bij de koningin en werd ik door een te actieve beveiliger weggeduwd. Hierdoor viel mijn camera op de grond en ging de achterklep open. Ik dook op de camera om de beelden op het rolletje te beschermen. Helaas bleek bij het ontwikkelen het grootste deel van de 36 opnames overbelicht. Gelukkig zijn er enkele bewaard gebleven.’’

Eén daarvan, met een kleine beschadiging door overbelichting, is een nooit eerder gepubliceerde opname van de nog jonge kroonprins Willem-Alexander, die, aangespoord door prins Claus, een slok dure Chablis-wijn neemt uit de beroemde Beker van Maximiliaan. Deze kostbare bokaal is rond 1547 door keizer Karel V geschonken aan Maximiliaan van Bourgondië, die heer van Veere was. Deze heeft de beker in 1751 aan de stad geschonken onder de voorwaarde dat die nooit verkocht mocht worden. Bij koninklijke bezoeken mogen leden van het Koninklijk Huis er als eerste uit drinken. De ‘officiële’ foto van Willem-Alexander die uit de beker drinkt is gemaakt in 1996 bij het 700-jarig bestaan van Veere.

Dankzij de foto van Adri Franke weten we nu dat de kroonprins vijftien jaar eerder als 14-jarige al zijn lippen aan de beker zette. ,,Mijn moeder in dracht keek toe toen Willem-Alexander als toekomstige koning ook een slok nam uit de beker’’, aldus Adri Franke. (PdJ)

foto A3francke