Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Tijdens het Kerstdiner heb ik mijn dochter uitgelegd dat de invloed van de Slag om de Schelde soms verrassend was. -Lees meer
Mijn naamgenoot was een stoere mensenredder. Zijn beeld werd in de oorlog verwoest, maar er kwam een nieuw beeld! -Lees meer
Wat ik allemaal niet deed om maar te kunnen voetballen... Niets hield me tegen, ook geen ijslaag op een grasveld... -Lees meer
Hoe vierde je begin jaren zeventig als vijftienjarige met je vrienden Oud- en Nieuw? -Lees meer
Als je mij vraagt naar hoogtepunten uit m’n kinderjaren kom ik uit op drie dingen: mijn verjaardag, pakjesavond en kerstvakantie. -Lees meer
Op de lagere school moest ik een houten asbak maken voor Vaderdag, want roken was toen overal nog gewoon. -Lees meer
In 1965 opende Terneuzen een jeugdverkeerstuin. Daar konden kinderen wennen aan het drukker wordende verkeer en werken aan verkeersmentaliteit. -Lees meer
In de vakanties gingen we, weer of geen weer, naar de Kaloot. Daar leerden we zwemmen in het Guil. -Lees meer
Als leerling van de lagere school moest ik voor een goed doel doosjes lucifers verkopen. En misbruik was natuurlijk makkelijk. -Lees meer
Cartes de visite, wie spaarde ze niet? Je kon ze bewaren in speciale albums, zoals tegenwoordig voetbalplaatjes. -Lees meer
door Ali Pankow

,,Wat raar eigenlijk dat ik tijdens de geschiedenislessen op school destijds zo weinig gehoord heb over ‘De Slag om de Schelde’. Pas nu ik van alles over de film lees, besef ik iets van het belang ervan.’’

Deze opmerking maakte m’n dochter Marian (40) onlangs tijdens het kerstdiner. We vonden het jammer dat de corona-lockdown  de vertoning van deze film voorlopig blokkeerde. Haar ervaring dat er op school destijds weinig aandacht aan die specifieke slag werd besteed, kon ik delen. ,,Terwijl de invloed van die Slag om de Schelde best ver reikt, tot aan jouw eigen leven zelfs’’, vulde ik aan. Ze keek me niet begrijpend aan en wilde direct uitleg.

Scene uit de film De Slag om de Schelde.

Die gaf ik gretig, want aangemoedigd door een grootmeester als schrijver Geert Mak, vraag ik me vaak af welke invloed gebeurtenissen in de wereld kunnen hebben op je persoonlijke leven. Dus schetste ik mijn dochter dat na de Slag om de Schelde in het najaar van 1944 Schouwen-Duiveland in vergelijking tot de rest van Zeeland nog bezet gebied bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hier werd de bevrijding pas op 7 mei 1945 afgekondigd. Om het de Duitsers moeilijk te maken werd hier in de laatste oorlogswinter de boel onder water gezet, de zogeheten inundatie. Het overgrote deel van de bevolking moest naar elders evacueren.

Zo ook Marie Boot, een zus van toenmalig bakker Jacob Boot aan de Ring in Ouwerkerk. Marie Boot kwam tijdens die evacuatie terecht in Oud-Beijerland, de plek waar ik in 1951 geboren zou worden. Marie ontmoette daar de jonge, ambitieuze aannemer Daan Smit en de vonk van de liefde sprong over tussen hen. Na de oorlog zijn Marie Boot en Daan Smit weldra getrouwd en in Oud-Beijerland blijven wonen. Ze kregen drie zoons.

De middelste, Fop Smit, werd op de middelbare school een van de leden in mijn vriendenkring daar. Fop kwam met regelmaat bij ons thuis over de vloer. Toen mijn ouders in 1969 een stacaravan hadden gekocht, zochten ze een mooi plekje ergens in Zeeland. Fop gaf hen het advies: ,,Ga naar Ouwerkerk, het dorp waar mijn oom een bakkerij heeft. Daar is ook net een nieuwe camping gekomen: ’t Sluitgat.’’  Mijn ouders volgden zijn raad en zo kwam ik in de zomer van 1969 voor het eerst van mijn leven in Ouwerkerk, waar ik Rinus Pankow leerde kennen….

De rest kon mijn dochter zelf invullen en ze constateerde: ,,Als Marie Boot in 1944 niet was geëvacueerd naar Oud-Beijerland, had ik welllicht nooit bestaan.’’

Foto boven: Ouwerkerk tijdens de inundatie in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog.
Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ali had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Frans van de Velde

Het eerste beeld van Frans Naerebout stond op de Boulevard en werd op 9 augustus 1919 onthuld. Foto Polygoonjournaal

Een van Vlissingens zeehelden werd vanaf 1919 jarenlang geëerd met een fraai standbeeld, op de Zeeboulevard: mensenredder en loods Frans Naerebout. Het stond daar prachtig, bovenaan de oprit, verdiept achter de Westbeer, met een mooi hek rondom. Frans keek vanaf die plek het zeegat uit. Helaas sneuvelde het beeld in de tweede Wereldoorlog.

1960: Het beeld van Frans Naerebout op de kop van het Bellamypark in Vlissingen. Foto Zeeuws Archief, Foto Dert Collectie Vlissingen

Het kostte in de wederopbouw de nodige jaren om geld voor een nieuw beeld te vinden. Dat lukte maar de plaats voor het beeld werd niet de Boulevard. Op de zomerse dag 5 juli 1952  had een jonge moeder bij haar bevalling in ziekenhuis Bethesda veel last van de warmte. Net als het officiële gezelschap op het Bellamypark, bijeen voor de plechtige onthulling van het nieuwe beeld van Naerebout. Een stoere kerel met een touw in zijn armen, gereed om de bemanning van het fregatschip Woestduyn, op 24 juli 1775 vastgelopen op een zandbank, te helpen redden. Het werk op een flinke sokkel markeerde het eindpunt van het park; ruimtelijk best wel goed.

In het MuZEEum in Vlissingen hangt een portret van Frans Naerebout.

Frans Naerebout zag de drukte toenemen en vooral de hoeveelheid auto’s vlak naast hem. En het aantal evenementen nam toe en ze werden steeds groter. Voor het bevrijdings- en straatfestival en meer werd het beeld een sta-in-de-weg en jaar na jaar begin mei weggehaald en in de loop van de zomer teruggeplaatst.

Een kostbare en riskante operatie, vond het gemeentebestuur. Waarom verplaatsen we het niet naar de Boulevard en zo ja, op welke plek?

Wethouder Conny Seybel schroeft de herinneringsplaquette vast. Haar echtgenoot Frans van de Velde, die haar assisteert, werd op die dag, 5 juli 2007, net als het beeld 55 jaar.

Deze vraag werd voorgelegd aan de Vlissingse bevolking. Niet alleen Boulevardbewoners droegen ideeën aan, veel andere deskundigen ook. Na flink wat discussie viel de keuze op het bolwerk De Leugenaar van Boulevard de Ruyter. Op 5 juli 2007 zag Frans eindelijk zijn zeegat weer en schroefde wethouder Conny Seijbel een herinneringsplaquette aan de boulevardmuur. Ze werd daarbij geassisteerd door haar man Frans van de Velde die net als de stenen Naerebout die dag 55 jaar oud werd.

Het was overigens het tweede beeld dat jarenlang de wonderlijke plek op het Bellamypark had ingenomen. Ook Michiel Adriaanszoon de Ruyter was dit overkomen. De mannen staan nu waar ze horen, op de Vlissingse boulevard, kijkend over zee.

Foto boven: Op 5 juli 1952 werd het nieuwe beeld van Frans Naerebout onthuld op het Bellamypark in Vlissingen. Diezelfde dag werd Frans van de Velde in het Bethesdaziekenhuis geboren. Foto Zeeuws Archief, Foto Dert Collectie Vlissingen

Bekijk het Polygoonjournaal uit 1919, met beelden van de onthulling.

De zeeheld kijkt het zeegat uit.

door Peter Verdurmen

We moeten een beschermengel gehad hebben.

Ik trapte als kind graag een balletje. Wat heet, ik deed niets liever. Veel meer viel er trouwens niet te beleven…

Pelé was mijn grote held. Op de jongenskamer, die ik deelde met twee broertjes, had ik een krantenfotootje van de Braziliaanse sterspeler aan de muur geprikt.
Voetballen zouden we, ook in hartje winter. Met twee vriendjes uit de buurt, Ronald en Gerard, had ik een voetbalclubje opgericht. Op het grasveld in de straat lag een dikke laag bevroren sneeuw. Met schoppen gingen we de ijslaag te lijf. Hakken en breken, wel een half uur lang, maar het resultaat mocht er zijn. Een modderveldje van tien bij tien. Spelen maar!

Voor de echte blauwwitten, de kleuren van IJzendijke, was het elke week, en niet alleen in de winter, improviseren. Achter de melkfabriek lag een hobbelig weitje. Doordeweeks liepen er koeien. Speelde IJzendijke thuis, dan moesten er eerst vlaaien worden geruimd. Alles ging nog op z’n elvendertigst. Erg? Nee, het was zo.
De 22 spelers en de scheids konden in de rust terug op krachten komen met een hete mok thee. Kantinevoorzieningen waren er nog niet aan de Mauritsweg. De thee werd in de eerste helft gezet in de keuken van het café La Porte d’Or.

Wie wilde de thee voor het eerste ophalen? Ik en m’n buurmeisje, Lucie, meldden ons aan als ‘thee’-vrijwilligers. Een trouwe IJzendijke-supporter ging mee. De ketel met kokend hete thee werd bij het café op de bagagedrager van het fietsje getild. Lucie hield het stuur vast, ik de ketel aan het hengsel.

Alles ging van een leien dakje tot die venijnige kinderkopjes. De gloeiend hete thee gutste over de rand. Bij aankomst zat er gelukkig nog genoeg in de ketel: de spelers van VV IJzendijke en de tegenpartij kregen in de rust geen bakje eb, maar een volle mok versterkende thee. Eigenlijk waren we best wel trots op onze prestatie. Daarna meldden we ons nog één keer voor de thee-corvee. Toen vonden Lucie en ik het welletjes.

Het had heel anders kunnen aflopen. Maar ja, dat gevoel hebben we allemaal wel eens, toch?

Ik ben die beschermengel die meevloog eeuwig dankbaar.

Foto: Kinderkopjes in de Mauritsweg. foto Peter Verdurmen

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Margreeth Ernens-Abrahamse

Oud- en Nieuw vierden we bij ons thuis vrij rustig. Met oudjaar gingen we ’s avonds naar de kerk, en op nieuwjaarsochtend ook. Daarna keken we op tv naar het schansspringen in Garmisch Partenkirchen. Pas toen ik een jaar of 12, 13 was mocht ik opblijven tot na twaalf uur.

Mijn hele tienertijd had ik een baantje als afwashulp bij de bakker aan de overkant van de straat. Dat betekende dus ook dat ik aantrad op oudejaarsdag. Rond een uur of zeven was ik dan klaar, en kon ik mooi op tijd mee naar de kerk. En hoewel het hemelsbreed misschien 50 meter naar huis lopen was, was dat op oudejaarsavond nogal een onderneming, omdat de bakker dan flink vuurwerk aan het afsteken was. Maar hij niet alleen, iedereen deed dat. Het leek op zo’n avond wel oorlog, met gillende keukenmeiden en rotjes die alle kanten op vlogen in de smalle winkelstraat. Nee, aan siervuurwerk deden ze niet, het moest gewoon veel en hard knallen.

Op mijn vijftiende hadden we met de Tussenclub afgesproken dat we op oudejaarsavond een rondje zouden doen langs iedereen. Alle ouders vonden dat best, mits we rond half een, een uur weer thuis waren. We vertrokken rond tienen op de fiets. De eerste halte was natuurlijk bij Wim. Zijn vader had de beroemde feest- en fopartikelenwinkel aan de Markt, waar niet alleen carnavalskostuums en scheetkussens werden verkocht: in de maand december kon je er ook allerhande vuurwerk kopen. Wij kregen allemaal wat onschuldig vuurwerk mee voor onze tocht door Terneuzen. Maar om dat vuurwerk af te steken als je aan het fietsen was, was niet handig. Dus de jongens zouden fietsen en de meisjes gingen achterop.

Ik zat achterop bij Wim en zo vertrokken we, met een spoor van knallers in ons kielzog. Het huis van Paul was als laatste aan de beurt om te bezoeken. We werden meegetroond naar de woonkamer, en daar kregen we van zijn vader een feestelijk drankje. Echte champagne! Geen van ons had eerder alcohol gehad, en we voelden ons ineens volwassen.

Het schuimde enorm en prikkelde in je neus, maar lekker was het wel! Dat vond iedereen, en de glazen gingen dan ook vlotjes leeg.

Inmiddels was de eerste nacht van het nieuwe jaar al flink gevorderd en we moesten nodig naar huis. Maar fietsen in de motregen met drank op, dat viel niet mee voor de jongens, en luidruchtig zwabberden we door de straten.

We zijn heelhuids thuisgekomen, ondanks dat eerste glaasje echte champagne.

’s Ochtends tijdens de kerkdienst vond ik in mijn jaszak nog een vergeten rotje, vastgekleefd aan een King-pepermuntje, het vaste kerkvoer…

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Margreeth had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Albert Kort

Als je mij vraagt naar de hoogtepunten uit m’n kinderjaren kom ik uit op drie dingen: mijn verjaardag op 28 oktober, pakjesavond en de kerstvakantie.

Iedere keer slaagde mijn moeder erin om de verjaardagen van haar kinderen tot ware happenings te maken. Geen moeite was haar te veel om het ons naar de zin te maken. Spelletjes werden georganiseerd, zoals zaklopen en koekhappen, waar de jarige zich kon meten met de vele vriendjes die waren uitgenodigd en die in hun nopjes waren met de zakken vol snoep waarop ze na afloop werden getrakteerd. De cadeaus had ik ’s morgens vroeg al gekregen. Omdat ik wist dat mijn moeder ze de avond vóór mijn verjaardag op tafel had uitgestald, was ik de nacht tevoren altijd zo gespannen dat ik geen oog kon dichtdoen.

Ik en mijn oudere broertje voor de kerststal.

Hetzelfde gold trouwens voor de viering van Sinterklaas. Ook op die dag barstte ik van de zenuwen, zelfs toen ik al lang niet meer in de goedheiligman geloofde. De hele sfeer én de soms schitterende cadeaus die we kregen, zoals die keer toen ik een complete treinset van Märklin kreeg: het zijn herinneringen die me mijn leven lang zijn bijgebleven.

Ook tijdens de kerstdagen en de jaarwisseling genoten we met volle teugen. Minder cadeaus weliswaar, maar daar stond tegenover dat we maar liefst twee weken vakantie hadden. Bovendien had mijn moeder het huis buitengewoon gezellig ingericht. Overal hingen slingers en kerstballen. De boom op het dressoir was mooi opgetuigd en de vele figuren in de kerststal waren zorgvuldig geplaatst rondom de kribbe van het kindje Jezus. Urenlang konden mijn oudste broer en ik kijken naar de feeërieke lichtjes en verschillende beeldjes in de stal.

Ik en mijn oudere broertje spelen tijdens de kerstdagen met cadeautjes die we voor sinterklaas kregen.

Kerstavond gingen we naar de mis. Was kerkbezoek normaal een verplichting, in de late avonduren voelde het meer als een voorrecht om samen met je vader en moeder naar de kerk te gaan. De volgende morgen wachtte ons een rijk gedekte tafel waarop allerlei lekkernijen, zoals krentenbrood met spijs, cake en suikerbrood, lagen uitgestald.

En dan te bedenken dat de klap op de vuurpijl nog moest komen. Die kwam al snel, tijdens de viering van oud en nieuw, toen we de straat onveilig maakten met het afsteken van rotjes, voetzoekers en gillende keukenmeiden.

Knalvuurwerk kon toen nog.

Foto boven: Mijn oudere broertje en ik bewonderen de kerstboom op het dressoir in de woonkamer.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Albert had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Willem Staat

Nee, niemand vond het gek dat het hoofd der school ons in de zesde klas opdroeg om een asbak te maken voor het vak handenarbeid.

Het was nog gewoon dat onderwijzers voor de klas aan een pijp lurkten of van een sigaret genoten. Ik ruik nog die prikkelende geur van de Virginiatabak die zij opstookten. En de weeë reuk van de Clan pijptabak van een leraar op de middelbare school. Wat was het fijn wanneer je even de klas uit mocht om bij de sigarenboer om de hoek verse rookwaar te halen voor de meester.

Het was dus heel normaal dat wij op school een asbak moesten maken en bovendien heel nuttig. Het rookartikel was namelijk bedoeld als geschenk voor Vaderdag. Bovendien leerde je om hout te bewerken met behulp van een guts.

Het eerst doel sorteerde het gewenste effect. Mijn vader was een verwoed roker zodat de asbak dankbaar werd aanvaard. Het tweede doel, ervaren worden in het edele gutswerk, bereikte ik slechts met de hakken over de sloot. Door mijn geringe talent kostte het me zeker drie maanden om het ellendige blok hout op mijn bankje te veranderen in het gewenste Vaderdag-artikel, hoe nijver ik ook in de weer was. Bovendien beitelde ik niet alleen aan die asbak, maar gutste het van het bloed wanneer ik uitschoot naar mijn linkerhand.

Hoewel ze nu vrijwel uit de openbare ruimte zijn verbannen, speelde de asbak nog niet eens zo lang geleden een grote rol. Legendarisch zijn de rooksalons op de prinsessenboten van de PSD. Vanaf circa windkracht zeven begonnen de asbakken over de tafels heen en weer te schuiven. Van die metalen gevaartes die een beetje leken op de gekartelde papiertjes onder een gebakje.

Tsja. De asbak vervulde vroeger maatschappelijk een grote rol. Dat was ook zo tijdens vergaderingen. Zo was ik als jong verslaggever aanwezig in het Wapen van Oostkapelle waar het Waterschap Walcheren een districtsvergadering had belegd. Bij aanvang bleek dat er geen voorzittershamer voorhanden was. Geen nood! Dijkgraaf Joan Lantsheer aarzelde geen moment, greep de asbak die voor hem stond en sloeg het ding met een daverende klap op zijn tafeltje, ten teken dat de bijeenkomst voor geopend.

Halfweg de jaren tachtig kwam de klad in het openbaar toegestane roken. Toen mocht je tijdens de vergaderingen van de Middelburgse gemeenteraad ineens pas na de pauze roken. Daarna ging het zeer snel bergafwaarts. De tevreden roker die volgens een oud gezegde geen onruststoker was, werd allengs een paria bij wie je beter uit de buurt kunt blijven. En de handenarbeid-asbak is rijp voor het museum.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Willem had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Margreeth Ernens-Abrahamse

Agent Janse houdt vanuit de verkeerstoren streng toezicht op de verkeersdeelnemertjes. Fotoarchief BN/De Stem/C. de Boer, ZB| Beeldbank Zeeland, recordnr. 147646

In de jaren zestig zag Terneuzen zich als ‘metropool van de streek’. De komst van veel grote bedrijven en een daarmee gepaard gaande groei van de bevolking leidden tot een toenemende verkeersdruk.

De raad van Terneuzen vond dat gevaarlijk voor kinderen en vatte het plan op om een verkeerstuin aan te leggen voor de lagere scholen. Zo konden kinderen op een veilige manier wennen aan het verkeer en kon tevens aan verkeersmentaliteit worden gewerkt. Er werd een lap grond ingericht bij het Zuidersportpark en sponsors zorgden voor fietsen en autootjes.

In het midden stond een verkeerstoren van waaruit hoofdagent A. Janse van de gemeentepolitie de scepter zwaaide.

In april 1965 opende commissaris van de koningin mr J. van Aartsen onder grote belangstelling de jeugdverkeerstuin, de eerste in Zuid-Nederland. Vijfde en zesde klassers kwamen voortaan om de beurt in de tuin oefenen op de verkeersregels. Toen ik in de vijfde klas zat, was het dus vaste prik om regelmatig een uurtje naar de verkeerstuin te gaan.

Netjes in de rij wachten tot het licht op groen springt. Fotoarchief PZC, ZB| Beeldbank Zeeland, recordnr. 157547

Voor de (trap)automobilisten en fietsers bood de tuin in miniformaat echte wegen met verkeerslichten, zebrapaden, fietspaden en een benzinestation. De autootjes waren het populairst en het was een wedstrijd om die te pakken te krijgen. Als je pech had, moest je voor voetganger spelen. Agent Janse hield alles goed in de gaten vanuit zijn verkeerstoren, en als wij een stiekeme wegrace hielden, kwam dat op een heuse boete te staan en een preek van hoe het dan wel moest. Zelfs in de trapauto’s moest je je hand uitsteken als je wilde afslaan, want richtingaanwijzers zaten er niet op. En reken maar dat hij het zag als je iemand sneed of ergens tegen aan botste.

De tuin werd goed bezocht, jaarlijks kwamen er in schoolverband ruim 8000 kinderen uit heel Zeeland.

Agent Janse vertelt een fietser hoe de verkeersregels precies luiden. Fotoarchief BN/De Stem/C. de Boer, ZB| Beeldbank Zeeland, recordnr. 147651

Halverwege de jaren zeventig kwam de klad erin, maar het stichtingsbestuur maakte in mei 1980 bekend dat er na een opknapbeurt een herstart zou komen. Ook een theorieleslokaal voor rijschoolhouders stond in de plannen. Het bedrijfsleven wilde er echter geen geld in steken.

In april 1982 viel uiteindelijk dan het doek voor de jeugdverkeerstuin: verdere exploitatie bleek niet haalbaar.

Jammer, in mijn tijd hadden we er altijd veel plezier. Of ik wat van de lessen leerde, valt te betwijfelen.

Foto boven: Drukte in de verkeerstuin. Fotoarchief BN/De Stem/C. de Boer, ZB| Beeldbank Zeeland, recordnr. 147648

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Margreeth had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Mieke van der Jagt

Als geboren Bredanaar zie ik mijn vroege Zeeuwse herinneringen beperkt tot de Kaloot en Borssele. Maar die herinneringen zijn dan wel weer talrijk en dierbaar want Borssele is waar we elk jaar twee weken op vakantie gingen; logeren bij Tante Jane en elke dag, weer of geen weer, naar de Kaloot.

In mijn eerste herinnering aan de Kaloot was er nog geen brug van de Noordnol naar het strand. Het Guil werd de kreek genoemd die langs de Noordnol bij vloed een flink deel van het schorrengebied achter de duintjes voedde. Bij eb stond er weinig water in, voor kinderen nog wel genoeg om te leren zwemmen. Bij hoog water kon je er, ook als je al wat groter was, nauwelijks staan. In het Guil (niet de geul maar echt hét Guil) hebben mijn zus en ik en ook een heleboel neefjes en nichtjes leren zwemmen.

Ergens begin jaren zestig lag er plotseling een bruggetje over het Guil. De brug van Jan Bul werd het genoemd. We begrepen dat Jan Bul het getimmerd had met ‘bulletjes van d’n diek: juttersvondsten dus. Andere jutters zoals Thijs Kakebeke, bijgenaamd Thiesje Geldzak, hadden naar verluid geholpen. Het was een ongekende luxe, al moest het water ook weer niet al te hoog zijn want dan kon je het bruggetje maar moeilijk vinden.

Hoog bovenop de Dominicusbrug.

In mijn herinnering lag de gloednieuwe Dominicusbrug er al het jaar daarop. Het gemeentebestuur van Borssele, toen nog een zelfstandige gemeente, was kennelijk door Jan Bul en zijn kornuiten aan het denken gezet. In de krant van 16 juli 1982 staat een verslag van de opening. Een plan van een architect was minstens 1000 gulden te duur gebleken. Burgemeester Dominicus tekende vervolgens zelf een brug die met staal van de spoorwegen, hulp van vrijwilligers en de brandweer, maar 2500 gulden kostte. In alle vooruitstrevendheid was er zelfs een reddingsboei aan de brug gehangen.

De nieuwe brug was meters hoger dan die van Jan Bul maar ik heb toch meermaals meegemaakt dat alleen de ballustrades nog boven het water uitstaken.

Een rudiment van de Dominicusbrug ligt er nog: veel korter en zonder reddingsboei. Want Het Guil is met de inpoldering van het Sloegebied verdwenen. Nu loopt er onder de brug door nog een stroompje afvalwater vanuit de zeef voor de inlaat van de kerncentrale. Daardoor stromen alle dooie visjes, krabbetjes en zeesterren terug naar de Westerschelde.

Foto boven: Spelen op de Brug van Jan Bul.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Mieke had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Jan Jansen

Dat in Zeeland met de regelmaat van de klok boerderijen afbranden, is van alle tijden. Dit jaar gaat het aantal schuurbranden ook alweer in de dubbele cijfers. Tja, die schuren liggen vol brandbaar materiaal. Hooi, stro, loof, jute. Hoog risico, altijd zo geweest.

Maar dat de boerderijbrandstatistieken voor Hoek en omgeving in de jaren vijftig geen piek te zien geven, mag een klein wonder heten. In die contreien groeit dan namelijk een klein pyromaantje op. Te weten ikzelf. Ha, vuurtje stoken!

Het ging inderdaad zover dat ik als tienjarige bijna de boerderij van mijn jeugd in de fik had gestoken. Bijna. Ik hoef het niet met terugwerkende kracht goed te praten – de pyromaan in mij is ook al lang bedaard – maar een excuus is er wel. Zo mag het toch wel heten als de onderwijzers van je lagere school hun leerlingen op pad sturen om doosjes lucifers uit te venten voor het goede doel.

Wat dat doel was, weet ik niet meer. Zal de zending wel zijn geweest. Maar rechtvaardigt dat het risico van lucifers in kinderhanden?

Die doosjes brandden natuurlijk in onze broekzakken. Misbruik was gemakkelijk. Je kon, zonder dat de kopers het merkten, uit elk doosje zo een paar lucifers achterover drukken. En er is genoeg dat wil branden en zo een beetje spektakel oplevert.

Favoriet bij stokende kinders waren droge bermen en dijken waar het gras zonder veel risico vlot af fikte. Het enige wat gevaar liep, waren de paaltjes van de omheining. De ‘opbrengst’ waren zwartgeblakerde oppervlaktes van tientallen tot wel honderden meters. Prima basis trouwens voor pril gras, dus als je maar uit de buurt van z’n schuur bleef, kreeg je de boer ook niet achter je aan.

Maar ik moest natuurlijk een stapje verder gaan. Pochend tegen buurjongens die op een school zaten waar ze geen lucifers uitventten, nam ik m’n koopwaar mee de schuur in. Op de dorsvloer slingerde altijd wel wat hooi of stro. Prima brandstof!

Ik hield er een lucifer bij – één lucifer maar – en daar was het lopend vuurtje al. In een schuur vol hooi, en graan, en veevoer.

Nu sloeg de schrik ons om het hart. Dit ging veel te hard. Een paar brandende strootjes stegen metershoog op, richting de tot in de nok gestouwde graanschoven. Maar net op tijd doofden ze uit.

Oeioei.

En toch zijn we niet gillend de boerderij ontvlucht. Nee nee. We ontpopten ons tot een waarlijk dappere jeugdbrandweer. Tien kindervoetjes kwamen in beweging en wisten de vlammen uit te trappelen voor ze echte schade konden aanrichten.

Het spreekt vanzelf dat de as op de dorsvloer samen met de geur van rook die in de schuur bleef hangen, mij verraadde. Nooit ben ik nog op pad gestuurd met doosjes lucifers als koopwaar…

door Peter Blom

Uren kan ik bladeren in oude familiealbums. Het gaat om boeken vol met cartes de visite, een Franse vinding uit 1854. Dit waren kartonnen visitekaartjes, waarop een foto, meestal een portret, was afgedrukt.

De cartes werden razend populair. De ‘photograaf’ drukte er twaalf of een veelvoud daarvan af zodat je kon uitdelen aan familie en kennissen. Van plaatselijke beroemdheden, zoals dominees, werden er meer bijgemaakt en driftig verzameld door hun fans. Je kunt het vergelijken met het sparen van voetbalplaatjes. Speciale albums kwamen op de markt om je vriendenplaatjes netjes te bewaren. Van vrijwel iedere Zeeuw die tussen 1870 en 1920 heeft geleefd zijn er cartes. Als archivaris krijg ik de prachtigste fotoalbums onder ogen. Ze zijn ooit geschonken en leven vaak een anoniem leven in een archiefkelder. In het beste geval staan namen van de personen erbij of is er bijgeschreven waar het was.

Het aardige van oude Zeeuwse portretfoto’s-zonder-naam is dat je aan de kleding van de geportretteerden kunt zien dat ze van Walcheren, Tholen, de Bevelanden, Schouwen of Zeeuws-Vlaanderen komen. Met een beetje speurwerk kun je achterhalen uit welke plaats ze komen en de foto dateren. Kleding uit Middelburgs Ambacht verschilt van de Walcherse dracht en in de katholieke dorpen op Zuid-Beveland droegen de vrouwen andere mutsen dan in de protestantse. Bolhoeden werden tussen 1880 en 1940 gedragen door rijke boeren en oorringetjes bij boerenjongens zie je omstreeks 1890 verschijnen.

In een oud familiealbum uit het familiebezit kijken Walcherse koppen stug naar de lens van de fotograaf. Logisch want je moest lang stil zitten, kinderen kregen zelfs een beugel in hun net zodat de foto ‘niet bewogen’ was.

Dat oma een paar jaar voor haar overlijden met hanenpoten en balpen de namen erbij heeft geschreven was op het moment even schrikken maar bleek later van grote waarde te zijn. We hadden anders niet geweten hoe tante Jannetje Geschiere er op 12-jarige leeftijd uit zag en dat die struise boerenvrouw opoe Kaatje was. De foto van oma als peuter toont een allerliefst kindje.

Tip van de archivaris: ga nooit prutsen aan zo’n album. Het kan een opbouw hebben waarmee je verbanden kunt leggen. Eerst de familie van vader, dan die van moeder, daarna vrienden en tenslotte een bevriende dominee of schoolmeester. En waag het niet om het weg te gooien. Een archivaris zal het met liefde bewaren voor het nageslacht.

Foto: Pagina met cartes de visite uit het fotoalbum van de familie Dekker-Geschiere uit Biggekerke, ca. 1900 (particuliere collectie).
Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in ‘Zeeland wordt wakker’: