Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Mijn oma, geboren in 1900 in Wemeldinge, groeide op in Rotterdam. Haar Zeeuwse wortels waren al snel ver te zoeken. -Lees meer
Mijn eerste treinreis maakte ik pas op mijn twaalfde: met de zesde klas gingen we van Brouwershaven naar Limburg. -Lees meer
Voor het Zeeuws Archief liet ik mensen hun verhaal vertellen: Oral History. Dat leverde een amusant verhaal uit Kamperland op. -Lees meer
Ik vond het een uitdaging om als blinde bedelares te spelen in 'Het oproer van Zierikzee'. -Lees meer
Met een krantendirecteur als vader groeide ik bijna op in de PZC-drukkerij in Vlissingen. Vaak nam ik een vriendje mee. -Lees meer
Ik koester het kleine onooglijke radiootje dat mijn moeder ooit bij elkaar spaarde met Persil-spaarpunten. Ik was er apetrots op. -Lees meer
Ik was zeven jaar toen ik mijn heilige communie deed en heel nerveus, want zou het allemaal wel goed gaan? -Lees meer
Als puber ging ik trouw naar de Tussenclub, een plek waar ik elke week mijn vrienden ontmoette. -Lees meer
Ik was al voor ik naar de lagere school ging, dol op lezen. En ik was geboeid door atlassen. -Lees meer
In de jaren zeventig verhuisde ons gezin naar een nieuwbouwwijk. Omdat er overal werd gebouwd, was dat een fantastische speeltuin. -Lees meer
door Peter Blom

Mijn oma Van Rotterdam werd geboren op 25 november 1900 in Wemeldinge. Haar moeder Maria Geertruida Griep moest het bij de bevalling van haar dochtertje Johanna Maria zonder haar man Aalbrecht van Boven stellen. Hij was varensgezel en zat op zee.

In oktober 1903 vertrok het gezin naar Rotterdam waar Aalbrecht als arbeider werk vond. De snel groeiende havenstad had gebrek aan ongeschoolde jongens en mannen voor werk in de havens en industrie. Die waren er op het Zeeuwse en Brabantse platteland genoeg te vinden.

Hun nieuwe huis stond in de Afrikaanderbuurt in Rotterdam-Zuid waar ook veel andere Zeeuwen waren neergestreken en door de stadse bewoners van Rotterdam-Noord de bijnaam De Boerenzij kreeg. Ik heb opa en opoe Van Boven nooit gekend maar volgens mijn oudere broer Jaap deed opa zijn beroep eer aan en kon hij vloeken als een bootwerker. Soms zag hij opa op de markt met andere ouwe mannetjes een beetje slap ouwehoeren en kocht hij een haring voor mijn broer.

In 1920 trouwde mijn oma met mijn opa Jacobus van Rotterdam en zij gingen in de Opzoomerstraat in Rotterdam-Delfshaven wonen. Opoe Van Rotterdam woonde boven en werd dus de opoe ‘van boven’. Het was een beetje ingewikkeld voor mijn moeder en haar zusjes en broertjes want opoe Van Boven woonde op Zuid.

Wat er van het Zeeuwse overbleef na de emigratie naar Rotterdam was niet veel. De banden met de familie in Zuid-Beveland werden steeds minder. Zo los zelfs dat toen in Zeeland een oom overleed, de familie in Kapelle niet de moeite nam om een overlijdensbericht naar Rotterdam te sturen. Het zou toch niet op tijd aankomen en dan nog was er geen tijd en geld om met de boot naar Zeeland te komen. Een foto van mijn oma als peuter op schoot bij haar moeder die in dracht was, de grap over het ‘kacheltje op d’n diek’, een gekoesterde brief van Aalbrechts vader Karel Steven van Boven en dat mijn oma in Zeeland Wanne van Ille van Rooie Jaap werd genoemd, waren schamele herinneringen aan de Zeeuwse afkomst. Dat op z’n Zeeuws Johanna Wanne en Aalbrecht Ille is kan ik inkomen, maar hoe je van Karel Steven Rooie Jaap maakt is moeilijk te rijmen.

Foto: Johanna Maria van Boven (1900-1974) op schoot bij haar moeder Maria Geertruida Griep (1881-1962). Links haar zusje Cornelia van Boven (1899-1976). Foto circa 1903 (collectie: Peter Blom, Veere)

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter Blom had in ‘Zeeland wordt wakker’.

door Ans van Nieuwenhuijze

Mijn eerste treinreis was van Goes naar Limburg.

Mijn medereizigers waren mijn klasgenoten van de laatste klas van de openbare lagere school in Brouwershaven.

Mijn vader had een auto van de zaak en die mochten we ook voor privéritjes gebruiken. Als we vroeger dagjes uit gingen in de vakantie was dat altijd met de auto. En nu op mijn twaalfde ging ik voor het eerst met de trein. Voor die treinreis begon, waren we van Brouwershaven naar Zierikzee naar de boot gebracht en later van Kats of Katseveer naar Goes.

Wat ik me vooral van trein herinner, is dat we op houten bankjes zaten, limonade kregen onderweg en dat het ver was.

Of we iets cultureels gedaan hebben – ik weet het niet. Ook heb ik geen flauw idee in welke plaats of plaatsen we geweest zijn. Ik liet me blijkbaar gewillig meevoeren. We brachten vooral veel tijd door in een groot speelpark.

Op de foto zitten we met alle meisjes uit de zesde klas op een schommel. Ikzelf zit achterop en verder van links naar rechts zitten Corrie, Ina, Tannie, Tinie en Beppie.

Mijn tweede reis per trein, vier jaar later, was van Goes naar Bergen op Zoom. Het doel was het afleggen van het type-examen. Ik was veel zenuwachtiger van het alleen met de trein reizen dan voor het examen. Nu ging het eerst over de Zeelandbrug, die toen nog Oosterscheldebrug heette, naar Goes.

Van de typelessen, die in Zierikzee werden gegeven, zijn me altijd de ezelsbruggetjes bijgebleven voor de plaats van de letters op het toetsenbord:

Quist wordt een reuze typist / yvert u in onze partij
Als Sien die fijne gulden haar jongen kan lenen
Zoek x cent vooral bij nieuwe maan.

Ik kwam goed en op tijd in Bergen op Zoom aan, slaagde voor mijn examen, inclusief een snelheidsproef, en kwam ook weer heelhuids thuis.

Sindsdien heb ik vele malen in treinen gezeten. Mijn langste rit was die van Boedapest naar Middelburg.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ans had in ‘Zeeland wordt wakker’:

Foto boven: Op de schommel: Ikzelf achterop en verder van links naar rechts Corrie, Ina, Tannie, Tinie en Beppie.

door Allie Barth

Jaren geleden maakten we er gewoonte van om oude mensen op te zoeken met de vraag of ze vanuit hun eigen beleving bepaalde gebeurtenissen wilden vertellen, zoals over de oorlog. Oral history heette dat. Dat was een aanvulling op ons archiefonderzoek en dat leverde naast de serieuze vertellingen ook amusante verhaaltjes op zoals hieronder blijkt.

Enkele jaren na de Ramp van 1953 solliciteerde een cipier uit het oosten des lands naar eenzelfde betrekking bij de oude gevangenis van Middelburg, Man en vrouw wilden liever niet in de stad wonen en kozen voor Kamperland. Dat betekende voor de man elke dag met het pontje naar Veere en vandaar naar Middelburg. De vrouw was kerkelijk gebonden, de man niet. Haar gegevens kwamen via de gemeente bij de hervormde kerk terecht.

Na verloop van enige tijd belden twee dames van de kerk op zekere morgen bij de vrouw aan. Ze deed open en vroeg op vriendelijke wijze wat ze kwamen doen. Welnu, namens de kerk, kwamen ze een bezoekje brengen.

Na een kopje koffie en wat vriendelijke opmerkingen over het uitzicht en de mooie tuin kwamen de dames terzake. Het was hen bekend dat de echtgenoot in de gevangenis zat en nu was de diaconie bereid om de vrouw te ondersteunen met geld en goederen, mits ze natuurlijk voortaan wel elke zondag naar de kerk kwam, want daar hadden ze haar nog niet gezien.

De vrouw antwoordde dat ondersteuning helemaal niet nodig was, want haar man werkte in de gevangenis. Dat wisten de dames ook wel. Gevangenen werden aan het werk gezet en moesten zakjes plakken en knijpers maken.  Ledigheid was immers des duivels oorkussen.

Fijntjes wezen ze er nog op, dat de vrouw hartelijk welkom was op de vrouwenvereniging van de kerk. Dat was nog eens inburgeren. U begrijpt het niet, antwoordde de vrouw. Mijn man is geen gevangene, hij is gevangenbewaarder en heeft een salaris waarvan wij best kunnen rondkomen. We hebben de diaconie niet nodig.

Toen het tot de dames doordrong, stonden ze enigszins gehaast op en liepen naar de gang. Nee, nee, doet u geen moeite, we komen er wel uit. Zonder op of om te kijken verlieten ze de woning.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Allie had in ‘Zeeland wordt wakker’:

Foto: De Veerweg te Kamperland, ca. 1950. Op de achtergrond links, de toren van de Hervormde Kerk.

door Ali Pankow

,,Een aalmoes, een aalmoes. In naam van de heilige Sint Lieven, een aalmoes! God zal u belonen in het hiernamaals.’’

Met die smeekbede mocht ik mij als blinde bedelares manifesteren in het historisch theaterstuk ‘Het Oproer van Zierikzee’.

De uitdaging lag niet in dat kleine stukje tekst, maar in het spel om als blinde vrouw, begeleid door haar bedelkind, geloofwaardig over te komen. Het blijft een van de leukste ervaringen in mijn inmiddels jarenlange betrokkenheid bij het Zeeuws amateurtoneel.

Het theaterstuk met spel, zang en muziek, is gebaseerd op het werkelijke ‘Oproer van Zierikzee’ van 1472, waarbij de bevolking in opstand kwam tegen de steeds hogere belastingen die hertog Karel van Bourgondië oplegde. De opvoeringsreeks in november 1996 was een cadeau aan de inwoners als afscheid van de zelfstandige gemeente Zierikzee. Per 1 januari 1997 zou de herindeling een feit zijn en werd het gemeente Schouwen-Duiveland.

Het succes van de voorstellingsreeks in het toenmalige theater Mondragon zinderde krachtig door met als resultaat het besluit in 1998 een openluchtvoorstelling van ‘Het Oproer…’ te brengen. In de open lucht spelen de weergoden een belangrijke rol. Zij domineerden de première. Zou die al of niet kunnen doorgaan? Met onweer in de lucht was er extra risico voor de licht- en geluidstechniek. De spanning binnen de spelersgroep was tastbaar toen besloten werd de aanvang van de première in elk geval een half uur uit te stellen. We wilden zo graag spelen dat er zelfs tranen van blijdschap rolden toen het sein ‘We gaan het doen!’ werd gegeven.

Als blinde bedelares legde ik een starre, starende, nietszeggende blik in m’n ogen, die iets naar rechtsboven gericht stonden. Kleumend met mijn bedelkind bij de vuurkorf in een scène op het speelvlak kon ik op die manier net constateren dat het weer lekker opklaarde en er zelfs wat blauw aan de zomeravondlucht verscheen. De buien leken voorbij en het spel verliep lekker. Wat een verbijsterende gewaarwording dus toen ik plotseling een kletterende regenbui hoorde losbarsten. Waarom ik zelf niet nat werd, besefte ik pas veel later. Eén van de paarden in de speelscène vlak achter mij ledigde krachtig zijn blaas op de oude stadskeien. Als blinde vrouw  kon ik natuurlijk niet omkijken. Dat zou ongeloofwaardig geweest zijn.

Foto boven: 1996: Scène uit de eerste opvoering van ‘Het Oproer van Zierikzee’. Op de voorgrond de blinde bedelares met haar bedelkind (Karolien Roon)

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ali had in ‘Zeeland wordt wakker’:

1998: Scène uit de eerste openlucht-opvoering van ‘Het Oproer van Zierikzee’.

door Frans van de Velde

‘Wat wil jij later worden?’ vroeg de visite thuis vaak aan mij. Net als Pipo de Clown later op tv zei ik dan iets als ‘dikke-deur van de krant’ want zo gaat dat als je vader de derde krantendirecteur in de familie is.

Ik kwam vaak ‘op de zaak’, met het kantoor aan de Vlissingse Walstraat 60 en de drukkerij erachter, aan de Vlamingstraat. Mijn opa woonde in het bovenhuis. De PZC heeft er tot 1988 gezeten.

In 1960 konden kinderen gaan en staan waar ze wilden. Volop spelen op straat en overal op de fiets naar toe. Op woensdagmiddagen ging ik met vriendjes wel eens naar de krant. Veel mensen, warmte, stank en lawaai want alle teksten werden in lood gemaakt.

De Intertype regelzetmachine was mijn favoriet. Er stonden er wel zes. Achter een toetsenbord stond een reuzenapparaat waar uit een grote bak na elke toetsaanslag een metalen lettermatrijs* naar beneden viel en achter elkaar een krantenregel vulde. Daarvan werd dan een loden regel gegoten, waarna de machine de matrijzen weer naar boven transporteerde, naar hun eigen vakje. Was de krant gedrukt dan werd al dat lood weer omgesmolten.

De machinezetters gaven graag een demonstratie, deze keer aan mijn buurjongetje.

,,Hoe heet jij?’’

,,Hans Teulings, meneer.’’

Tik, tik, tik en de letters gleden in de goot naar beneden en kwamen achter elkaar te staan. Met lood van ongeveer 350 graden werd de regel gegoten.

,,Hier is je naam in lood’’, zo werd de regel naar hem uitgestoken.

,,Au, m’n fikke!’’ schreeuwde Hans en liet de regel op de grond vallen.

,,Ik had je toch gezegd dat het lood heel warm is. Ik laat hem wel wat verder afkoelen.’’ Altijd dezelfde grap – de mannen waren oplettend en je kreeg direct een natte lap in je hand geduwd.

,,Dat kan ik helemaal niet lezen”, zei Hans een beetje boos. Natuurlijk niet, de letters stonden namelijk in spiegelschrift. De volgende dag liet Hans een vel papier zien met wel dertig gestempelde afdrukken van zijn naam. Zou hij zijn naamregel lang hebben bewaard? Ik de mijne helaas niet . . .

*MatrijsEen matrijs (lettermoeder) is in de druktechniek een metalen vorm waarin een teken is geperst, bedoeld om loden letters te gieten.

Foto boven: Vier grote, warme Intertype loodzetmachines in 1955 naast elkaar in de PZC-drukkerij aan de Vlissingse Vlamingstraat.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Frans had in ‘Zeeland wordt wakker’:

Deze MAN-rotatiepers dateerde van rond 1928, drukte van de rol (rechtsonder op de foto) en leverde complete kranten af van maximaal 16 pagina’s, in zwart-wit. In 1963 werd in een nieuwe drukkerij tussen Vlamingstraat en Kleine Kerkstraat een veel grotere pers in gebruik genomen, die in 1974 werd verdubbeld. Omdat de kranten in vierkleurendruk moesten gaan verschijnen kwam er in 1983 een offsetpers voor in de plaats, op de laatste PZC-druklocatie in Vlissingen aan de Oostsouburgseweg, die tot ongeveer 2005 in productie is geweest. Links op de foto staat drukker Cor Lammers, die in een PZC-huis aan de Vlamingstraat woonde en meerdere zonen PZC-medewerker zag worden.


‘Kwart over zes: de expeditie draait op volle toeren.’ De rotatiepers liet zien waar het 25ste exemplaar zat en daarmee werden de bundels met de hand samengesteld en dichtgeknoopt. De PZC was enkele jaren eerder ochtendkrant geworden, zodat overdag de advertenties en het achtergrondnieuws konden worden gemaakt en ’s avonds tot ver in de nacht de actuele courant. Daarom werd er pas zo laat gedrukt.


Dit was in 1955 waarschijnlijk de enige bestelauto van de PZC. De kranten werden voornamelijk per openbaar vervoer getransporteerd: de trein, veel veerboten en heel veel streekbussen. Er kwamen ontzettend veel mensenhanden aan te pas! Moet een ochtendkrant nu uiterlijk om zeven uur ’s morgens in de bus liggen, toen zal dat op Sint Philipsland en in Zeeuwsch-Vlaanderen veel later zijn geweest. De leeftijd van deze Vlissingse bezorgers was ook anders dan nu.

door Peter Verdurmen

Wat zou je er op een rommelmarkt voor krijgen? Een duppie, 50 eurocent hooguit.

Ik snap het ook wel, een deukje hier en daar en natuurlijk de hamvraag, doet ie het nog of blijft het angstwekkend stil als je er een nieuw setje batterijen in stopt?
Je kan ook met andere ogen naar zo’n onooglijk radiootje kijken. Het was een cadeautje van m’n moeder waar ik apetrots op was.

Een Persilradio. Persil? Dat is toch dat waspoeiermerk? Ja.

Wassen met Persil leverde spaarpunten op. Dat ging snel bij ons. We waren thuis in totaal met z’n achten.

Het was een basic modelletje, die Sharp TR-173. Enkel middengolf, niks geen FM. Als je aan het wieltje aan de voorkant draaide had je keuze zat: Radio Veronica, Radio Caroline, Big L (Big London), in de avonduren – licht zwabberend – Radio Luxemburg.

De gouwe ouwe van The Stones, Beatles, Who, Kinks, Cream, Hendrix, Small Faces waren nog kakelvers.

Volume op max: That’s the Life I Live, om met de oude Q65 te spreken. Het kraakte, het piepte, toch was het magic. Met dank aan Persil en m’n moesje!

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Albert Kort

Zeven jaar oud was ik, toen ik in 1963 mijn heilige communie deed. Voor rooms-katholieken was dat een belangrijke gebeurtenis, want het betekende dat je werd opgenomen in de kerk.

De nonnetjes van de katholieke Mariusschool in Goes bereidden mij en mijn veertig klasgenootjes er dan ook uitgebreid op voor en onze ouders kregen te horen dat we voor die gelegenheid ‘gepaste’ kleding moesten dragen.

Het communieprentje.

Wat was ik nerveus! Stel je voor, dat ik de uit het hoofd geleerde gebedjes was vergeten! Of wat zou er kunnen gebeuren wanneer je, knielend op de bank voorin de kerk, je mond vergat te openen wanneer de pastoor voor je stond om de hostie op je tong te leggen? Kwam ik dan niet meer in de hemel? Zou Jezus in zo’n geval geen medelijden hebben met een jongen die iedere avond voordat hij in zijn bedje stapte, trouw zijn gebedjes prevelde?

Gelukkig stelde mijn moeder me gerust. Zo’n vaart zou het allemaal niet lopen. Volgens haar keek Jezus vooral naar je karakter.

Van de plechtigheid in de kerk is me merkwaardig genoeg niet veel bijgebleven. Wel van het feestje na afloop thuis, waar familie en vriendjes werden uitgenodigd en waar ik overladen werd met cadeautjes. Apetrots was ik met de communieprentjes waarop mijn naam, voorzien van een stichtelijke tekst, was gedrukt.

Er was zelfs een fotograaf aanwezig, die van mij en mijn broer een foto maakte. Een kleurenfoto nog wel, want naar kosten werd niet gekeken.

Vele jaren later kwam ik erachter dat er wel het een en ander viel af te dingen op dit “Rijke Roomsche Leven”. Tijdens mijn studie aan de toen nog gereformeerde Vrije Universiteit kreeg ik zelfs te horen dat het roomse geloof slechts een “paapse superstitie” was. Een godsdienst voor simpele zielen die aan beeldenverering deden en ieder woord van meneer pastoor voor zoete koek slikten. En dat roomsen geloofden met de biecht hun zonden te kunnen afkopen, was in de ogen van protestanten helemaal te gek voor woorden.

Maar wat schiet ik op met die wijsheid achteraf? Mijn naïviteit van toen heeft er in elk geval voor gezorgd dat ik met plezier terugkijk op mijn jeugd. Ik vraag me af of dit ook geldt voor alle gereformeerde jongeren die zijn opgevoed in de ‘vreze Gods’.

Foto boven: Na afloop van de communie werd thuis een kleurenfoto gemaakt. Ik sta rechts.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Albert had in ‘Zeeland wordt wakker’:

Op school kreeg ik een kleurenplaat van de communie. Persoonlijk ondertekend door pastoor Holtkamp.

door Margreeth Ernens-Abrahamse

De Tussenclub was begin jaren zeventig populair bij de Gereformeerde jeugd van Terneuzen. Als pubers van 15 en 16 jaar kwamen we op vrijdagavond bij elkaar in Pro Rege, het verenigingsgebouw van de kerk.

Ochtendgymnastiek

We hadden een eigen ‘honk’, helemaal bovenin het gebouw, dat op een hippe manier was aangekleed met visnetten, luie stoelen en speciale verlichting.

Eind april gingen we op kampweekend. Met de fiets vertrokken we naar scoutingcentrum ’t Jagertje in Hulst, waar we zaterdag, zaterdagnacht (!) en zondag verbleven. We maakten de omgeving onveilig per fiets en ’s avonds was er na het eten een groot kampvuur. Daar zongen we liedjes en Ad en Jan, onze begeleiders, vertelden een spannend verhaal.

De zondag werd begonnen met ochtendgymnastiek, wat vooral gepaard ging met gekke bekken trekken en rare houdingen aannemen. De rest van de dag werd besteed aan het oefenen voor onze musical. Die moesten we opvoeren tijdens de Grote Avond voor onze ouders, de afsluiting van het clubseizoen, waar alle clubs aan meededen.

Oefenen voor onze musical.

Dat jaar hadden we zelf iets in elkaar gezet: ‘De verboden verloving’, zo staat er in mijn fotoalbum. Hoe het verhaal precies ging weet ik niet meer, maar het was allemaal heel romantisch vonden we. En we zongen dan ook uit volle borst onze zelfgeschreven liedjes.

Tijdens de Grote Avond kregen we een daverend applaus. Dat was vermoedelijk niet alleen vanwege onze acteer- en zangkunsten: onze diverse uitmonsteringen werkten blijkbaar nogal op de lachspieren. Wim en ik speelden de ouders in het stuk en toen we opkwamen, kwam het publiek niet meer bij. We zijn dan ook pontificaal op de foto gezet: Wim in het pak van zijn vader en ik in de jas en met het hoedje van mijn moeder.

We hadden veel plezier met elkaar op de Tussenclub en zochten elkaar ook op de zondagen op. Het leuke van de Tussenclub was dat we elkaar allemaal heel goed kenden, een hechte vriendenclub dus. We hadden samen de lagere school doorlopen en zoals dat gaat, gingen we naar verschillende vervolgscholen. De Tussenclub gaf ons de gelegenheid samen verder op te groeien, we verloren elkaar niet direct uit het oog. Met één van hen, Jan, ben ik nog steeds bevriend.

Foto boven: Wim en ik speelden de ouders in de musical.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Margreeth had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Willem Staat

Lezen! Ik was er dol op, al voor ik naar de lagere school ging.

En zo kwam het dat ik me stierlijk verveelde wanneer de juf het vak lezen aankondigde. Wanneer ze mij een beurt gaf had ik het dunne boekje over Miep en Joop al  uit en was ik weggedroomd. Dus had ik geen idee op welke bladzijde we waren beland.

Dat wegdromen was naar oorden, waar ik ooit hoopte te verblijven. Vooralsnog kwam ik zelden verder dan het eigen dorp, want zo was dat wanneer je in de jaren vijftig en zestig opgroeide in een arbeidersgezin.

In de wereld van toen ontbrak Internet en waren boeken nog heel gewoon. Ik was geboeid door atlassen. Zoals die van Nederland. In Limburg zag je plukjes paars. Dat was ‘löss’. Nog spannender waren de stukjes wit op de kaart. Dat waren de ‘woeste gronden’.

Ik was ook dol op plaatjesalbums. Bijvoorbeeld die van Hille over de Nederlandse provincies. Je moest van zijn beschuit zo’n beetje een jaar lang tegen de klippen op eten om alle plaatjes bij elkaar te krijgen, maar dan had je ook wat.  Wat te denken van  Zwerftochten door ons land: Gelderland. De voorplaat toonde drie berugzakte jonge mannen met pet die zich met flinke pas voortspoedden: de paden op de lanen in. Aan het landschap te zien passeerden ze een nogal ongecultiveerde streek: de woeste gronden!

In 1964 gingen we voor het eerst met vakantie. Een week in een huisje op de Utrechtse heuvelrug. Ome Jaap bracht ons weg met zijn vrachtauto. Mijn ouders zaten naast hem in de cabine, terwijl ik samen met mijn zus Lineke en broers Piet en Barend  achterin verbleef. Vanachter de laadklep zagen wij uit over het verkeer op de snelweg. Dat kon ongestraft want Arbowetten waren er nog niet.

Ik had me grondig voorbereid op de reis. Zo las ik het wondermooie boek ‘De schoonheid van ons land: Kastelen’ uit 1954. En natuurlijk ook het Utrechtse deel van de beschuitalbums. Zodoende kwam ik te weten dat vlakbij ons reisdoel kasteel Zuylestein moest pronken. Wat een mooi plaatje had Hille daarvan laten  maken!

Na aankomst stelde onze gastheer een ritje in de omgeving voor in zijn luxe auto. Op de vraag  wat ik zoal wilde zien antwoordde ik: ‘Kasteel Zuylestein’. ’s Mans gezicht betrok. ,,Ik moet je teleurstellen. Het is gebombardeerd in de oorlog. Maar het poortgebouw staat er nog.”

Zodoende bleef mijn beeld van het kasteel beperkt tot dat van het plaatje, Thuis zocht ik het verschijningsjaar op van het Utrechtse zwerftochten-boek. Dat verklaarde veel: 1931.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Willem had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Johan Francke

Ergens halverwege de jaren zeventig verhuisde ons gezin vanuit het centrum van het kustdorp op Walcheren naar een nieuwbouwwijk.

Het aan de straat gelegen huis werd ingeruild voor een twee-onder-een-kap met meer comfort en vooral heel veel meer ruimte om in de tuin te voetballen. Nadat het huis in orde was gemaakt groeide er het tweede jaar zowaar een grasveld en begonnen de bomen en struiken uit de grond te schieten en werd er her en der druk op los getuinierd. Was het niet in de eigen tuin, dan wel in de net aangelegde volkstuinen waar nog geen twee jaar daarvoor koeien hadden gegraasd.

Die hele nieuwbouwwijk was een fantastische speeltuin. Jarenlang werden er hele huizenblokken bij gebouwd. De stenen, het kozijnhout, rollen isolatie en ander bouwmateriaal lagen ’s middags na vier uur vrij voor het grijpen om er mee te gaan spelen, want bouwhekken stonden er nog niet.
Bij de tandarts, die schuin tegenover ons kwam wonen werd zelfs een heuse kelder aangelegd. Toen deze in aanbouw was werden we daar als kinderen angstvallig gemaand van weg te blijven, want als je daar tijdens het spelen in terecht kwam kon je er zelfstandig niet meer uitkomen. Heel wat ouders hebben hier hun krijsende kroost uit moeten halen met behulp van een ladder.

De lagere schooljeugd bouwde in de nieuwbouwwijk volop hutten en beleefde er avonturen. De al bewoonde nieuwe huizen stonden soms nog lukraak tussen onbebouwde kavels en kavels waar gebouwd werd. Dat maakte dat je als kind nogal eens door iemands achtertuin liep en het begrip ‘eigen erf’ wat werd opgerekt, maar dat deerde niemand want er woonden alleen maar jonge gezinnen met kinderen. Zo trokken mijn vriend en ik eens een diagonaal door de kleihopen tussen twee straten in toen hij een rij ‘wilde tulpen’ op een heuveltje ontwaarde. Dat was een mooie gift voor zijn moeder! Snel werd de hele rij geplukt zodat er spoedig nog slechts een tiental korte steeltjes uit de grond stak die keurig een meter uit elkaar stonden. Moeder werd blij verrast met een bosje geel-rode ‘wilde tulpen.’ Wij bleken echter gezien tijdens onze activiteiten en ’s avonds kwam de eigenaar van de tuin in aanleg verhaal halen en leerden wij lessen in het ‘mijn en dijn’ en dat sommige flora wel ‘typisch Nederlands’ is, maar in Zeeland niet in het wild groeit.

Foto: Wilde tulpen in Turkmenistan, foto: Klaus Schönitzer, Wikimedia commons.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Johan had in ‘Zeeland wordt wakker’: