Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Albert en Gerard Kort
Spannend: voor het eerst naar school. En als je niet in het gareel van zuster Manja liep, zwaaide er wat. -Lees meer
Als kind waren de meeste kledingstukken die ik droeg tweedehands: afdragertjes dus. En daar had je categorieën in. -Lees meer
De redactiezaal van de PZC aan de Oost-Souburgseweg.
Toen de PZC in 1988 naar een spiksplinternieuw gebouw verhuisde, was dat voor ons als redactie een enorme overgang. -Lees meer
Ik ben geen geboren Zeeuw, maar wel met een Zeeuwse getrouwd. Het Zeeuwse DNA zit ook diep in mijn gezin. -Lees meer
Vijftig jaar geleden ging ik naar de brugklas op het Zeldenrustcollege in Terneuzen. In de pauze kwam Piet Friet langs. -Lees meer
Ik mocht van mijn ouders mijn haar niet laten groeien, maar ik kreeg wel een echt Beatles-jasje. -Lees meer
In 1969 had iedereen het over de maanreizen. Dus wij bouwden een raket voor de versierde fietsenoptocht op Koninginnedag. -Lees meer
Met mijn klasgenoten had ik een werkweek in vormingscentrum Hedenesse in Cadzand. Een dagje Brugge kon natuurlijk niet ontbreken. -Lees meer
Als kleine jongen beleefde ik de Rampnacht. Mijn broertje en ik lagen in ons bed te bibberen van angst. -Lees meer
Wat doe je als pasgetrouwde vrouw om je man tevreden te houden? Juist, je zet hem iets lekkers voor. -Lees meer
door Albert Kort

De dag dat ik voor het eerst naar school ging, staat nog in mijn geheugen gegrift. Aan de hand van mijn moeder wandelde ik naar de Jacinta kleuterschool in de Tulpstraat in Goes. Nog geen kilometer van ons huis in de Piccardtstraat, maar voor een ventje van vier was het een flinke tippel.

Of ik die dag gespannen was weet ik niet, wel dat het mijn moeder zwaar viel om afscheid te nemen van haar kind, ook al was dat maar voor korte tijd. Zo bleef ze nog minutenlang voor het raam naar me zwaaien, lang nadat ik in het lokaal mijn plaats aan een tafeltje had gevonden. Ik kreeg het eerste jaar les van juffrouw Boonman, die samen met zuster Manja het schooltje bestierde.

Zuster Manja leest voor uit een 'stichtelijk' boek. Helemaal links sta ik.

Zuster Manja leest voor uit een ‘stichtelijk’ boek. Helemaal links sta ik.

Veel van dat eerste jaar staat me niet meer bij. De juf was geloof ik wel aardig, en dat laatste kan ik niet zeggen van haar collega, die slechts over een kort lontje beschikte. Voor zuster Manja kwamen orde en discipline op de eerste plaats, en wie naast de pot pieste kon op weinig mededogen rekenen.

Ik herinner me nog die ene keer toen ze razend en tierend terugkwam uit het jongenstoilet, waar ze een plasje ‘water’ naast de pot had opgemerkt en van ons wilde weten wie dat op zijn geweten had. Omdat een reactie uitbleef, gooide ze het over een andere boeg. Wij werden één voor één uit het lokaal gehaald en naar de plek des onheils geleid. Toen het mijn beurt was, deed ik het bijna in mijn broek van angst.

In het toilet aangekomen, trok ze flink aan mijn oor en vroeg, met de vinger gericht op het plasje, of ik ‘dat had gedaan’. Onschuldig, maar verlamd van angst gaf ik toe dat ik de dader was. Misschien heeft deze afgedwongen schuldbekentenis me voor verder onheil bespaard. Ik kwam er in elk geval met een lichte straf van af. Er volgde geen publieke veroordeling, zoals ik wel eens had meegemaakt toen een andere jonge ‘delinquent’ gedwongen werd zijn schuld te bekennen ten overstaan van de hele klas. Mijn ‘zaak’ werd, zogezegd, in de doofpot gestopt.

albert en Gerard Kort

Met Gerard (rechts) spelend in de tuin met een ‘veerboot’ in een zinken teiltje water.
Dit teiltje werd tevens gebruikt als badkuip waarin wij wekelijks werden ondergedompeld.

Een vervelend incident. Toch had ik zeker geen hekel aan school, maar thuis was het natuurlijker veel en veel leuker. Daar kon je tenslotte vrijwel alles doen waar je zin in had. In de winter op zolder spelen met de vele soldaatjes en autootjes van Matchbox, waarvan mijn oudere broer een hele verzameling had aangelegd. Zomers verplaatsten onze activiteiten zich naar de tuin, waar mijn moeder een zinken teil met water had gevuld. We gebruikten een houten klomp als boot en een rasp als op- en afrit voor de auto’s die gebruik maakten van dit ludieke overzetveer.

Foto boven: Broer Gerard (rechts) en ik aan mijn tafeltje met daarop een vetplantje dat ik iedere dag water moest geven.

(De foto’s zijn alle drie omstreeks 1960 genomen.)
Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Albert had in Zeeland Wordt Wakker:

door Mieke van der Jagt

Degelijk. Dat waren onze kleren: goed spul, netjes in elkaar gezet. Of het nu zelf gemaakt was of gekocht, het moest een eeuwigheid mee kunnen. En dat kon het dus.

Tegenwoordig is het hip om je kleding op tweedehands-sites te kopen en verkopen; toen heette het gewoon afdragen.

Ik onderscheidde twee verschillende soorten afdragen: van mijn oudere zus en van veel oudere nichten. Dat eerste vond ik maar niks. Mijn moeder maakte best vaak voor ons dezelfde modellen van dezelfde, degelijke stof. Een rode ribfluwelen overgooier is op die manier jarenlang mijn zondagse goed geweest. Op elke schoolfoto heb ik hem aan. De stof was zo degelijk dat je oprijgen en zomen eruit kon halen zonder dat het moeten achterliet. Toen de overgooier echt te klein was geworden, was ik in die van mijn zus gegroeid.

Zo ging het ook met plissérokken en Schotse rokken. Die waren steevast uitgevoerd met galgen. Je begon het te dragen met de band onder je oksels en dankzij de vele knoopsgaten in de galgen, konden ze telkens een beetje zakken. Ze waren gemaakt van het onverwoestbare Terlenka, dus er was geen enkele hoop dat het ooit zou verslijten.

Een ander verhaal was afdragen van mijn nichten: Marian, Nely en Riet. De eerste twee waren tenger, klein en veel ouder. Riet was ietsjes meer uit de kluiten gewassen en zes jaar ouder dan ik. Maar mijn zus en ik waren allebei enorm groot. Wij konden vaak zo in de kleren die bij de nichten vandaan kwamen. En wat voor kleren: grote-meisjes-kleren waren het. We stonden klaar om erom te vechten. Heel vaak waren de schoenen voor mijn zus al te klein en liep ik op mijn negende te paraderen op sandaaltjes met kleine hakjes. Met veel van dat goed mochten we niet naar school, te frivool.

Als ik dan eindelijk eens zelf ergens uitgegroeid was, was het nog prima in orde. Dan ging het naar Janneke, de dochter van vrienden van mijn ouders, die ook behoorlijk met groeihormonen was bedeeld. Achteraf heb ik begrepen dat ook zij veel blijer was met onze spullen, dan met die van haar zus.

Foto boven: vlnr mijn zus Marian (6), ikzelf (4)  en mijn oma. Marian en ik in de ribfluwelen overgooiers die toen net nieuw waren. De zomen waren enorm en in de taille zat een oprijg.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Mieke had in Zeeland Wordt Wakker:

door Willem Staat
Het PZC-pand aan de Walstraat in Vlissingen

Het PZC-pand aan de Walstraat in Vlissingen.

De verhuizing in 1988 van de PZC-redactie in Vlissingen van de versleten burelen aan Walstraat naar de Oostsouburgseweg was een enorme overgang.

We kwamen in een hypermodern gebouw terecht met een grote redactiezaal waarvan je het eind slechts met een behulp van een verrekijker kon waarnemen. Ook de manier waarop je het gebouw in en uitging was anders.

De hoofdingang van het oude complex was aan de Walstraat, maar ik ging altijd naar binnen via de zetterij aan de Vlamingstraat. Langs een ingewikkeld stelsel van gangen en trappen belandde je uiteindelijk bij  de redactieburelen boven. Volgens onbevestigde verhalen is daar een onbekend aantal mensen onderweg verdwaald, van wie nooit meer iets is vernomen.

Een grote vooruitgang in het nieuwe onderkomen vormde de lift. Je kon natuurlijk ook de trap nemen. Die was uitgerust met makkelijk bestapbare treden. Het viel mij na een poosje op dat geboren Zeeuwen vrijwel allemaal de trap namen. Hoofredacteur Andreas Oosthoek behoorde tot de uitzonderingen op die regel. En ook ik, geen autochtone Zeeuw, verkoos de makkelijke weg.

Het mijden van de lift door geboren Zeeuwen is mogelijk verklaarbaar door het feit dat de meesten onder hen gelijkvloers woonden. In de provincie kwamen relatief laat flatgebouwen met liften. Dat geldt ook voor een andere fantastische uitvinding: de roltrap. Een verschijnsel dat je aantrof bij C&A, Vroom en Dreesman en de Hema aan de Lange Delft in Middelburg.

Dat ik wel de lift nam is ongetwijfeld te verklaren door mijn geboorte in een flatje driehoog. Tot aan mijn derde jaar, toen we naar een doorzonwoning op de begane grond verhuisden heb ik met mijn korte beentjes menigmaal de trappen beklommen. Mijn moeder deed dat trouwens nog vaker, want mijn broertje en ik hadden de hardnekkige gewoonte om speelgoed over de balkonrand te werpen.

Het nieuwe gebouw van de PZC aan de Oostsouburgseweg in Vlissingen

Het nieuwe gebouw van de PZC aan de Oostsouburgseweg in Vlissingen.

Ik weet nog dat ik, zittend in het trappenhuis, een been tussen een opening van de betonnen reling had gestoken en niet meer los kon. Dat was, voor zover ik me kan herinneren, mijn eerste traumatische ervaring.

Een oud-collega op de krant zei altijd ‘ik heb al genoeg geleden in de oorlog’ wanneer hem werd gevraagd een moeilijk karwei op te knappen. Uit bovenstaande blijkt dat ik, wat betreft het opklimmen naar hogere delen van panden, eveneens mijn  portie heb gehad.

Zodoende kies ik ruim zestig jaar later in trappenhuizen, indien voorradig nog altijd voor de lift. Mijn schoonmoeder van 91 doet dat trouwens ook. Zij is een geboren Zeeuwse!

Foto boven: De redacteuren kregen in het nieuwe gebouw een ruim onderkomen. Links de redactie binnen-buitenland. Ik ben de man met de snor.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Willem had in Zeeland Wordt Wakker:

door Peter Blom

Dat ze Zeeuwse was begreep ik toen ze me in een Amsterdamse kroeg aansprak en vertelde over een dominee in Zeeland die ik ook kende. Ergens moet een gesprek beginnen.

Inmiddels zijn we meer dan dertig jaar samen en hebben drie Zeeuwen grootgebracht.

Bij ons trouwen kreeg ik er een uitgebreide familie bij die de wortels diep in de Walcherse klei heeft. Toen ik hun stamboom onderzocht – je moet toch weten wat voor vlees je in de kuip hebt –  kwam ik voorouders tegen met achternamen als Geschiere, Dekker, Pieterse, Cijsouw, Harpe, Simonse, Wisse, Poppe, Leijnse, De Korte. Genoeg stof voor een kroniek over vijf eeuwen koeien melken en tarwe oogsten. Niks mis mee, maar je hoopt toch een beetje op zeerovers, ontdekkingsreizigers, schrijvers en dichters.

Mijn Zeeuwse familieleden dragen al tijden geen mutsen met oorijzers, keuzen of klepbroeken. Ze hebben wel veel bewaard en in familiebezit bevindt zich genoeg streekdracht en streeksieraden voor een leuke verkleedpartij.

Het Zeeuwse DNA is in die mate aanwezig om in ons gezin af en toe op  z’n boers te gaan. Het trouwpak van overgrootvader uit 1928 kwam wel eens uit de mottenballen. Ik droeg het bij een ontvangst in Schotland waar men dacht dat ik als priester verkleed ging.

Onze oudste zoon werd ooit gevraagd in een kuitbroek met zilveren broekstukken mee te doen aan een modeshow. De jongste had weinig in te brengen toen hij in een oud Arnemuids babyjurkje werd gehesen. Dit ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Heemkundige Kring Walcheren (HKW). Mijn vrouw was als ‘pronte Erremuse’ met haar kanten kap en bloedkoralen snoer ‘om deu een riengetje t’aelen’.

Onze kinderen wonen in Amsterdam, zijn lid van de HKW en voelen zich verbonden met het Walcherse heem. De beperkingen van de covidcrisis ontlokte bij de oudste de uitspraak dat ‘Zeeland veel meer het pure, natuurlijke vertier heeft als landschap dat er in de randstad niet is’.

Dat boerenpak doen we nog maar niet weg.

Foto: Een pronte ‘Erremuse’ met baby in lichte rouw, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Heemkundige Kring Walcheren, 1996. (Collectie Peter Blom)

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in Zeeland Wordt Wakker:

door Theo Rietveld

Waar vind je ze nog? In België zijn de nog bestaande exemplaren cultureel erfgoed. Een liefhebber van de snack heeft ze ooit allemaal gefotografeerd en in een boek beschreven. Frietkotten.

Van die houten gebouwtjes, schoorsteen bovenop, gasfles los erachter en een groot open raam met daarachter de frituur. In Zeeuws-Vlaanderen zag je ze overal.

Toen ik ruim vijftig jaar geleden naar het pas gestichte Zeldenrustcollege aan de Mozarthof in Terneuzen ging, maakte ik kennis met een nieuwe wereld. De oude vertrouwde klas met één juf of meester een jaar lang elke dag… Het was voorbij. Daarvoor in de plaats kwam een houten noodgebouw met één lange gang die eindeloos leek. Aan weerszijden waren lokalen, wc’s en het kamertje van de conciërge, meneer Sturm.

En dan het lerarenteam: rector Van Dijk, zijn vrouw die Frans gaf, meneer Hamelink, adjunct-directeur en docent economie en geschiedenis, meneer Neele, docent Nederlands en meneer VanLerberghe, afkomstig uit Vlaanderen, die ons scheikunde trachtte bij te brengen. Parttime docenten hadden we ook: wethouder Ron Barbé gaf maatschappijleer en advocaat mr. Tichelman leerde ons hoe de rechtspraak in elkaar zat. En mijn eigen vader verzorgde parttime een paar jaar de godsdienstlessen.

Mijn oudste broer ging naar HBS 4 toen mijn tweelingbroer en ik aan het brugklasjaar begonnen. Ik herinner me Jacco die opeens in Havo 5 met een Yamaha brommer op school kwam, Henk die een paar blokken verderop woonde en niet te vergeten Dennis, wiens vader een elektronicazaak had in de Noordstraat.

Tijdens pauzes werd je geacht bij school te blijven, in en bij de lange rij overdekte fietsenstallingen of op het trottoir dat voor de school lag. In de lange pauze moest ik thuis komen eten omdat ik dichtbij de school aan de Otheense Kreek woonde.

Daardoor miste ik de rijdende frietkraam van Piet Oppeneer. Iedereen noemde hem Piet Friet. Dat stond ook in zwarte letters boven het grote raam van zijn tot friteskraam omgebouwde caravan. Later schafte hij een vierkant model aanhangwagen aan, van waaruit hij zijn friet verkocht. Een frietkot op wielen. Dagelijks tijdens de lange pauze bij je eigen school! Daar liet je graag je boterhammen voor liggen…

De redactie zou graag in het bezit komen van een foto van Piet Friet met zijn caravan. En dan het liefst een foto waar hij bij de school aan de Mozarthof staat. U kunt uw foto sturen naar web@zeeuwsweerzien.nl

Foto boven: Eind jaren zestig: de noodgebouwen aan de Mozarthof in Terneuzen. De omgeving was nog woest en ledig, wat later werd daar een complete woonwijk gebouwd. De school begon in 1966 als dependance van het Christelijk Lyceum in Goes. Twee jaar later werd het Zeldenrustcollege opgericht. De school groeide elk jaar met een leerjaar (en breidde het aantal lokalen navenant uit). Foto: Piet Dieleman (toenmalig amanuensis Zeldenrustcollege)

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Theo had in Zeeland Wordt Wakker:

Het Zeldenrustcollegelerarenteam van het eerste uur: (achter staand vlnr:) P. Switters, A. van der Windt, R. Barbé, mr Tichelman, B. Verpoorte, J.J. Neele. (voor zittend vlnr:) J. de Rode, De Jonge???, twee onbekende dames, rector A. van Dijk, conrector J. Hamelink. Foto Piet Dieleman

door Peter de Jonge

Lang haar zoals de Beatles mocht ik niet van mijn ouders, maar een Beatles-jasje was fatsoenlijk genoeg en werd tot mijn onuitspreekbare blijdschap aangeschaft.

Het moet ergens in 1963 zijn geweest toen ik voor het eerst dat bijzondere kledingstuk om mijn smalle schouders had. Op de lichtblauwe transistorradio, bij elkaar gespaard met zegeltjes die Persil-emmertjes heetten, luisterde ik naar Please, Please Me, Love me do en I want to hold you hand.

De muziekrevolutie van de jaren zestig lijkt nu poeslief en onschuldig, maar voor mijn generatie was het een radicale breuk met de gevestigde orde. Kattengejank, noemde mijn vader het geluid van de elektrische gitaar. Hoewel ik me later bekeerde tot The Rolling Stones was ik begin jaren zestig nog in de ban van die groep uit Liverpool.
Onder leiding van hun manager Brian Epstein werden ze neergezet als vernieuwend maar niet gevaarlijk. Hij bedacht ook dat het uit moest zijn met die wat agressieve leren pakken en vetkuiven, waarmee ruige rock & roll sterren als Gene Vincent en Elvis Presley het podium bestormden.

Douglas – Dougie – Millings, die al de kleermaker was van onder anderen Cliff Richard, kreeg het verzoek iets bijzonders te maken. Hij jatte het ontwerp van een kraagloos jasje van de Franse couturier Pierre Cardin, voegde er een broek met smalle pijpen aan toe en het Beatles-kostuum was geboren. The Fab Four droeg de muisgrijze outfit 24 maart 1962 voor het eerst tijdens een optreden in de Heswall Jazz Club in de provincie Merseyside en het sloeg meteen aan. Als je modern wilde zijn moest je zo’n jasje. Het liefst met een zwarte bies.

We kochten onze kleding in die tijd bij Kreymborg in de Walstraat in Vlissingen, een kledingzaak die nooit van het woord mode had gehoord en vooral ouderwetse confectiepakken in de rekken had hangen. Tot een inkoper het lumineuze idee had om mee te liften op het succes van de Beatles-muziek. Daardoor kwam dit unieke kledingstuk ook binnen mijn bereik.

Trots als een pauw heb ik het gedragen. Tot de dag dat ik met mijn fiets viel en een gaatje in mijn mouw had. Dat werd door een kleermaker nog wel onzichtbaar gestopt, maar het jasje was besmet. Bovendien was ik er zowel geestelijk als lichamelijk toch al een beetje uitgegroeid.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in Zeeland Wordt Wakker:

door Margreeth Ernens-Abrahamse

Koninginnedag werd altijd uitbundig gevierd in Terneuzen. Iedereen was vrij en dat was te merken.

’s Morgens vroeg ging bij ons de vlag uit, mét wimpel natuurlijk. We kregen een oranje sjerp om en gewapend met een vlaggetje en toeter gingen we met het hele gezin naar de optocht van versierde kinderfietsen kijken. Voor die lange stoet liep de hele stad uit.

Toen ik oud genoeg was, en sinds mijn zevende verjaardag in het bezit van een fietsje, mocht ik daar ook aan meedoen. Mijn moeder had mijn fiets versierd met bloemen en ik won er zowaar een derde prijs mee. De prijsuitreiking vond ik doodeng: boven op het podium in de muziektent bij de burgemeester komen en dat helemaal in mijn eentje.

Een paar jaar later bouwden mijn oudste en mijn jongste broer op dat fietsje (inmiddels bezit van mijn jongste broertje) een raket voor de optocht. Iedereen was immers vol van de maanlanding en de jongens zagen daarin een mooi project. Afgewerkt met geel crêpepapier zag het geheel er indrukwekkend uit. Een ‘raampje’ aan de voorkant bood de bestuurder enig zicht op de omgeving. Mijn broertje Rienk en ik fungeerden als astronauten.

Rienk wurmde zich naar binnen door het smalle gaatje aan de onderkant van de raket om te fietsen, ik liep ernaast. We droegen allebei een kakioverall en hadden een witte helm met blauw vizier op. Door middel van een dik touw was ik verbonden met de raket, zo zou ik niet in de ruimte verloren raken. Een doos op mijn rug zorgde voor de ‘zuurstofvoorziening’.

Op de Markt werden we bij de muziektent opgesteld in afwachting van de prijsuitreiking. Onze raket bleek goed voor de tweede prijs. Hoe leuk dat ook was, de schrik sloeg me om het hart: moest ik weer dat podium op en bij de burgemeester komen… Het lot hielp me een handje: Ik kreeg mezelf niet los van de raket, want het touw zat degelijk vastgeknoopt.

Rienk wrong zich dus met moeite uit de raket en nam de prijs in ontvangst

Na de versierde fietsen-optocht waren er shows en muziekoptredens op de Markt en sportwedstrijden voor de schooljeugd. Traditiegetrouw werd Koninginnedag besloten met een lampionnenoptocht met als klap op de vuurpijl een groots vuurwerk. Ook daar liep de hele stad voor uit, naar de dijk, waar je er het mooiste zicht op had.

Foto: Onze prachtige raket tijdens de optocht, met broertje Rienk achter het stuur. Achter de twee meisjes die voor de raket lopen, zijn nog net een stukje helm, een arm en een been van mij te zien.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Margreeth had in Zeeland Wordt Wakker:

door Ans van Nieuwenhuijze

Het was begin jaren zestig tijdens een werkweek in vormingscentrum Hedenesse, Cadzand, met als thema discriminatie. De protestmarsen onder leiding van Martin Luther King in de Verenigde Staten waren in volle gang en stonden erg in de belangstelling in binnen- en buitenland.

Om in Cadzand te komen, vertrokken we vanaf de ulo in Zierikzee naar De val om daar in te schepen voor de overtocht naar Kats, wat aardig wat fietskilometers scheelde. En daarna kwam ook nog Vlissingen-Breskens.

Wat opviel was dat de kinderen die in Zierikzee woonden, het fietstempo van de kinderen uit de dorpen niet of nauwelijks konden bijhouden. Daarom ook werden onderweg verschillende rustpauzes ingelast, onder andere bij De Roode Leeuw in Nieuw- en Sint Joosland.

Tijdens de week kregen we films en inleidingen en hielden we discussies over discriminatie en welke gevolgen dat fenomeen allemaal kan hebben.

Ter ontspanning kregen we een dagje Brugge aangeboden. Dat ging met de bus.

Bij aankomst begonnen we met een bezoekje aan café Vlissinghe, waar we wat te drinken kregen om daarna de stad in te gaan. Op een afgesproken tijd zouden we dan weer bij het café terugkomen.

Dat laatste viel niet mee, want mijn groepje was verdwaald.

We klampten diverse voorbijgangers aan met de vraag hoe bij café Vlissinghe te komen.

‘Awel, dat is ver van hier’, antwoordde een aardige meneer, die dacht dat we terug naar onze Scheldestad wilden, maar hij kon ons de weg niet wijzen. Uiteindelijk zijn we er gekomen en ook nog op tijd.

Daarna stond cultuur op het programma met bezoeken aan onder meer de basiliek van het Heilig Bloed, het Minnewater en het Begijnhof en aan het Groeningemuseum en het Gruuthuusemuseum.

Vanuit dat laatste museum verliet ik de groep om even in de tuin wat rond te lopen. Op de een of andere manier lukte het me ook daar te verdwalen, want ik kon de ingang niet meer vinden. Nu was er niemand om iets te vragen en ik raakte lichtelijk in paniek.

Hoe ik toch weer bij de groep kwam, weet ik niet meer. Wel dat ik erg opgelucht was mijn klasgenoten weer te zien.

Foto: Een dagje Brugge met mijn klasgenoten. Ik ben de vierde van links.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ans had in Zeeland Wordt Wakker:

door Allie Barth

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 braken in de zuidwesthoek van ons land de dijken. Dat was een ramp van ongekende omvang, met meer dan 1850 doden. Eilanden kwamen geheel of gedeeltelijk onder water te staan. De schade aan huizen, wegen, landbouwgronden was immens. De ontreddering was groot.

(zie ook foto boven) Wolphaartsdijk vlak na de Ramp: bewoners worden per boot naar veiliger oorden gebracht. foto Gemeentearchief Goes

In dit stukje beperken we ons tot westelijk Zuid-Beveland. Borssele bleef ternauwernood gespaard door de noeste arbeid van vrijwel alle mannen in het dorp. Oudelande lag rondom in het water. Het centrum van het dorp bleek hoog genoeg te liggen om droog te blijven. Van Oudelande tot Hoedekenskerke lag de zuidkant van Zuid-Beveland onder water. In het Sloegebied was kort voor de ramp de Quarlespolder ingedijkt, die in die rampnacht weer onderliep. Nieuwdorp bleef maar net droog. Ook Goes, met omringend gebied liep niet onder al kostte het bijzonder veel moeite om de dijken bij Kattendijke te behouden. Heel veel mannen werkten daaraan als bezetenen aan de dijken en het lukte om het water buiten de polders te houden. Wolphaartsdijk kwam wel onder water te staan. Daar vielen slachtoffers.

Mijn broertje en ik, kleine jongens toen nog, lagen in die nacht in Nieuwdorp te luisteren naar het geweld van de wind. We waren bij elkaar in bed gekropen en lagen zo nu en dan te bibberen van angst. Het was een leven als een oordeel. Bomen waaiden om, takken braken af en hele rijen dakpannen werden van de daken afgeblazen. Toen het die morgen licht was geworden, werd duidelijk hoe groot de schade was aan de huizen.

In de maand mei verhuisden we met onze ouders naar Middelburg. Het was geen slechte zomer dat jaar, en zo ging ons gezin regelmatig op de fiets naar het strand van Dishoek. Daar, op het strand en in het water was de nasleep van de stormvloed nog duidelijk zichtbaar. Dakspanten, kozijnen, deuren en huisraad dreven draag traag op de stroom voorbij in de richting van Vlissingen, als het vloed werd en weer terug de zee in wanneer de eb doorzette. Heel veel hout spoelde toen dagelijks op het strand aan. Als kleine jongen stond je niet stil bij het leed, in de vorm van hout, dat mensen bij de ramp was aangedaan en dat in het water langs kwam drijven.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Alli had in Zeeland Wordt Wakker:

Wolphaartsdijk, daags na de Rampnacht. Foto Gemeentearchief Goes

door Ali Pankow

Dat de liefde van de man door de maag gaat, gold voor mij slechts als een tegeltjeswijsheid. Veel zorgen over het feit dat ik culinair volledig ongeschoold in 1974 het huwelijksbootje instapte, maakte ik me dan ook niet.

Ik was amper 22 jaar én enig kind. Niet tot in de grond verwend, want ik had best strenge ouders, maar veel eisen in de huishouding werden er niet aan me gesteld. Mijn moeder was een op en top huisvrouw, die haar taak koesterde. Dus was het huis altijd proper en opgeruimd, stond er elke dag een maaltijd op tafel en lag de was altijd schoon en gestreken in de kast. Dat alles zonder dat ik daar ooit omkijken naar had.

Dat werd heel anders nadat ik als jonge bruid mijn ja-woord had gegeven en dus een eigen (kleine) huishouding in Zierikzee begon. Uiteraard samen met mijn man, die lekker wel drie jaar zelfstandig op kamers had gewoond en inmiddels een meester was in het bereiden van frites met biefstuk. Dat stond dan ook veelvuldig op ons menu, maar niet elke dag natuurlijk.

Vaak ook putte ik me uit met een degelijke maaltijd van aardappelen, groenten, vlees of vis. Lang niet altijd succesvol, maar uiteindelijk werden de glazige piepers toch wat bloemiger, de groenten echt gaar en het vlees minder taai.

Tijd om de meetlat hoger te leggen. Dus ik besloot een ouderwets toetje te maken: Griesmeelpudding met bessensap. Daar had ik vroeger als kind bij oma al zo van genoten.

Het kon ook niet zo moeilijk zijn: Melk, puddingpoeder en vanillesuiker. Die bessensap was gewoon vanuit een kant-en-klaar flesje over de pudding te gieten, toch? Ik had er immers nooit van gehoord dat je dat sapje met suiker en maïzena moest opwarmen. Dat deed ik dan ook niet.

Veel geduld met het binden van de pudding had ik ook niet. Toen de melk kookte, gooide ik er een stevige scheut extra poeder in voor een snel resultaat. De pudding bleek stijf na het afkoelen, heel stijf. Zo stijf dat ik hem in plakjes moest snijden.

Ik zie mijn man nog kauwen op die keiharde massa waar ook nog onopgeloste klonters in zaten. En daarover heen dan ook nog die mond samentrekkende zure bessensap.

Hij legde zijn lepel neer en zei: ,,Schat ik houd van je, maar dit is echt te veel gevraagd.’’

Foto: Net na het geven van het ‘ja-woord’ op het bordes van het gemeentehuis.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland had met Ali in Zeeland Wordt Wakker: