Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Ik denk er met weemoed aan terug: het kotje dat Tante Née uitbaatte op de duinen van de Kaloot. -Lees meer
Als na de lange winter de Zeeuwse trekpaarden weer naar buiten mogen, is dat feest voor ze. -Lees meer
Toen ik 16 was maakte ik met mijn broer en een vriend een fietstocht van Rotterdam naar Zeeland. -Lees meer
Als driejarige kleuter werd ik na de Watersnoodramp met mijn familie geëvacueerd naar Lage Vuursche. -Lees meer
Mijn broertje en ik kochten, ondanks wat aarzelingen, van een gevonden rijksdaalder lekkere gebakjes. -Lees meer
Een congres voor schoolkrantredacteuren in het Zilveren Schor in Arnemuiden was achteraf een glimp van de toekomst voor mij. -Lees meer
Als kind had ik weinig keus: in mijn dorp kon je meedoen aan de voetbal of de verkennerij. -Lees meer
Albert Kort vond op zolder de boekjes van Karl May, waarvan hij in zijn jeugd zo genoot. -Lees meer
Een van de eerste verre reizen die ik maakte voerde mij met mijn ouders en broertje naar de Efteling. -Lees meer
Het schoolreisje van mijn kleuterklas in 1964 voerde van Terneuzen naar Cadzand. Het werd een lange, zonnige en gedenkwaardige dag. -Lees meer
door Mieke van der Jagt

Ik denk er met weemoed aan terug: het kotje van Tante Née. Vooral in de zomer, of het nu snikheet is of stortregent, alle weersomstandigheden gaven het kotje iets knus, iets veiligs, iets vertrouwds.

Het kotje van Tante Néé was om te beginnen helemaal niet van Tante Née maar van bakker Dieleman in Borssele, die ergens eind jaren vijftig op het idee was gekomen om een consumptietent te beginnen op de Kaloot, bovenop de jonge duintjes die het krekengebied van het strand scheidden.

In de verte het dakje van het kotje van Tante Née.

Tante Née werkte voor Dieleman in het eenvoudige kotje: hout met een golfplaten dak, een deur en niet al teveel ramen. Er stond een toonbankje in en elektriciteit was er niet. Geen ijs dus en ook geen friet. Wel butagas, want al verkocht Tante Née geen koffie, ze zette het wel om weg te geven. Wat kon je er dan wel kopen? In ieder geval bier. Aan de wanden hingen emaillen platen waarop blonde en donkere juffrouwen met duim en wijsvinger een nulletje maakten. ‘Wie Amstel drinkt, doet zo!’, stond eronder.

Er was ook Perl, appelsap met prik van Hero en natuurlijk Fanta en 7-up, wat wij zevenup noemden. Erg vaak kregen we dat niet want we namen zelf Ranja en in het gunstigste geval Exota mee naar het strand. Tante Née verkocht ook koeken, gevulde heren, en snoep. En natuurlijk, het modernste van het modernste: chips in kleine zakjes waardoorheen je zelf het zout moest schudden, dat  in een klein blauw papiertje onderin het zakje zat.

Het hele strand kroop in het kotje als het ging regenen of onweren. Dan werd er verteld dat de bliksem altijd op het hoogste punt insloeg. Zo’n beetje waar wij zaten dus. Achter het toogje konden dames zich verkleden. Twee vrouwen hielden het grote kleed omhoog waarachter het zwempak aan of uit ging.

Binnenin het kotje zijn bij mijn weten nooit foto’s gemaakt; te donker. Van de buitenkant heb ik er een paar die nadrukkelijk niet het kotje in de hoofdrol hebben. Misschien maakt dat de herinnering wel mooier.

Foto boven: Het kotje dat mijn Tante Née uitbaatte voor bakker Dieleman.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Mieke had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Jan Jansen

Ze springen, rennen, briesen. Begerig snuiven ze de geur van lentegras op.

Als ik op m’n fietsje, vast eentje met blokken op de trappers, terugkom van een logeerpartij in de paasvakantie, wacht mij op de boerderij een vrolijk welkom van de net uitgelaten paarden.

Mijn vader op de rug van Elza met hond Fox op zijn schoot. Moeder kijkt rechts net om het hoekje. Op de achtergrond de Braakmandijk met muraltmuurtjes.

Het zijn er maar drie – ook hier rukt de trekker op –, maar zelden zie je ze zo uitbundig. Het Zeeuws trekpaard is doorgaans een bedaard paard dat loom en op drie poten in een hoekje van de wei staat te dommelen. Maar nu ze na maanden in een muffe, donkere stal weer losgelaten worden, moet de dufheid van de winter eruit gedarteld worden.

De jongste gooit de achterpoten in de lucht (sorry paardenmensen, wij hadden het echt niet over benen), de anderen gaan er op een drafje achteraan, zelfs de oude Vera. Nog niet in de wei, dat komt straks. Als ze de stal uitkomen, zijn ze niet te houden en laat de boer ze eerst maar los op het erf rond huis en schuur.

De oudste broer van Jan op een trekpaard.

Hij is niet de vrolijkste mens op aarde, maar groot liefhebber van paarden. Het tafereel overziend lijkt ook hij de winterdepressie nu van zich af te schudden. Hij vindt het zelfs goed dat ze dwars door een lapje felgele narcissen daveren.

(Zeg ik nou narcissen? Nee, ‘paasblommen’ natuurlijk!)

Lang kon je het trekpaard als oersterke rechterhand van de boer schilderen op de Zeeuwse boerderij. Oersterk, maar elegant tegelijk. De prachtige rondingen, de manen, die ogen en (sorry dierenvrienden) het knotje. Oersterk, maar ook braaf en volgzaam. Paarden kon je wat leren. ‘Utom, aerom’, richtingaanwijzingen die ze zich al jong eigen maakten.

Op de rug van deze knollen kon een kind rustig meeschommelen. Je kon ze aanzetten tot een drafje, maar liever niet… Terwijl ze zich toch uit de naad werkten voor de boer als die erom vroeg. Met dampende lijven karren vol bieten uit modderige akkers sleuren, de ploeg door de zware klei trekken. En zoveel meer.

Braaf en gedwee. Maar als ze in het voorjaar de stal uit mogen, is het net een stel jonge honden.

Er zijn veel lentebodes. De zwaluw, de koekoek, de ontluikende geuren en kleuren van alles wat groeit en boeit. Heerlijk. Maar de rituele lentedans van paarden in een paasvakantie lang geleden beklijft niet minder.

Foto boven: Oom Piet, groot paardenliefhebber, met kar en paard, beide feestelijk versierd. De foto’s zijn gemaakt in de jaren veertig van de vorige eeuw.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Jan had in ‘Zeeland wordt wakker’:

Oom Piet met een van zijn favoriete paarden, vermoedelijk Nellie.

door Peter Blom

Achter ons huis begon het fietspad naar Zeeland waar de  wegwijzer exact 100 kilometer naar Vlissingen aangaf.

In de zomer van 1980 namen mijn broer, een vriend en ik het besluit om deze magische afstand in een dag te fietsen. Wat Joop Zoetemelk dat jaar in de Tour had gepresteerd konden wij ook. Met in onze fietstassen een tent, een zak veterdrop en een pak gevulde koeken vertrokken we zuidwaarts. Door de Heinenoordtunnel, over  het oude tracé van de RTM door naar Zijpe.

Met Anna Jacobapolder in zicht kregen we de smaak van pontjes te pakken en verlegden ons plan: alle delen van Zeeland en zoveel mogelijk veerboten. Over Flipland, Tholen en een stukje Brabant naar de boot van Kruiningen waar Zeeuws-Vlaanderen lonkte en Vlissingen morgen wel kwam.

Een plattegrond waar campings lagen hadden we niet.  Aan de schaarse onverstaanbare  voorbijgangers hadden we weinig. Het werd een soort mantra. ‘Is er een camping in Zaamslag?’,  ‘nee er is geen camping in Zaamslag’, ‘ is er een camping in Sluiskil?’,  ‘nee er is geen camping in Sluiskil’, ‘is er een camping in Hoek?,  nee er is geen  camping  in Hoek’. En zo trapten we verder over een eindeloze weg. Het caravanpark  aan de Braakman leek een fata morgana.

Op het trekkersveld ontmoetten we lotgenoten waarmee we onze veterdrop deelden.  Niks voor Rotterdamse  jongens  van rond de zestien, maar fietsplezier in je eentje bleek te bestaan. Zij was dertig, kwam uit Amsterdam en speelde cello in een orkest. Onderweg kon ze uren kijken hoe de oogst werd binnengehaald.

Dat Zeeland merkwaardige plaatsnamen kende, hadden we al door, maar waar we de volgende morgen doorscheurden vroeg om een foto. Na deze lol in Boerenhol namen we in Breskens de pont en kwamen in Vlissingen. Over de Boulevard, door de duinen en kerkdorpen vol boerenmeisjes naar een kampeerterrein aan een kreek in een bos. De hele nacht hoorde je klokgebeier. Jaren later begreep ik dat het van het Veerse carillon kwam.

Foto: Lol in Boerenhol, zomer 1980 (foto Peter Blom)

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Ans van Nieuwenhuijze

‘Wanneer gaan wij op reis?’ Dat citaat, op driejarige leeftijd, uit mijn mond werd vaak aangehaald als het over de Watersnoodramp en de daaruit voortvloeiende evacuatie ging.

Blijkbaar had ik vernomen dat we op reis gingen of moesten en mij kon dat niet vlug genoeg gebeuren.

Op enig moment vertrokken wij met een schip vanuit de haven van Brouwershaven, toen mijn woonplaats, naar Dordrecht. Daar ben ik nog even vermist geweest, doordat iemand mij in een bus had gezet, waar ik niet thuishoorde. Mijn moeder zei later dat zij nog even gevreesd had dat ik dáár in de haven was gevallen.

Na de hereniging met mijn ouders, mijn broer en mijn grootouders van moeders zijde werden wij per bus naar Lage Vuursche gebracht, waar wij werden ondergebracht in een logeerboerderij. Bij een heel vriendelijke familie met wie nog jaren contacten hebben gestaan.

Wat ik mij van het verblijf herinner zijn vooral de voorleessessies uit het Grote Voorleesboek van W.G. van de Hulst, de wandelingen door de bossen en een retourtje Baarn, waar mijn broer en ik en nog veel meer kinderen een cadeautje mochten uitzoeken. Ik had een pop gekozen, maar zag later dat mijn broer een plastic telefoon had bemachtigd, die echt kon bellen. Daarop heb ik mijn pop ingeleverd en ben ik op zoek gegaan naar net zo’n telefoon. Die ik natuurlijk niet kon vinden. Wel een blikken exemplaar dat er, gezien de vele krassen, al veel bel-uren op had zitten. Daar leerde ik dat ruilen huilen is: mijn pop kon ik niet meer terugvinden.

Op het eind van de evacuatieperiode werd een fotosessie georganiseerd, waar ik nogal voor trammelant heb gezorgd. Of ik niet op de foto wilde of niet durfde – ik weet het niet, maar ik heb van het begin tot het eind staan huilen. Op deze foto sta ik zelfs min of meer handenwringend.

Zonder dat beeld was deze gebeurtenis mij vast niet bijgebleven.

Wat ik mij van onze thuiskomst vooral voor de geest kan halen is dat uit het fietsstuur van mijn vader water kwam toen hij in ons laaggelegen schuurtje de waterschade ging inventariseren. In ons huis had maar heel weinig water gestaan.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ans had in ‘Zeeland wordt wakker’.

door Allie Barth

Mijn broertje en ik bezochten in de jaren vijftig de Gravenstraatschool in Middelburg.

Dat was een lange wandeling, waarop  altijd wel wat te beleven was, zoals in de herfst het knuppelen van kastanjes op het Molenwater. Oppassen voor Tolletje Pik was een vereiste. Op de Nieuwe Burg bleven we vaak staan voor de etalage van bakker De Wolf. Gebakjes kijken. Die kregen wij nooit. Op donderdag was het  markt, voor het stadhuis, dat in die jaren nog in de restauratiesteigers stond.  Overblijfselen van de strijd in 1940. Op die markt was altijd wel wat te beleven.  Kooplui die hun waar luidkeels aanprezen en de Koperen Ko, met buikorgel voor en trom op zijn rug.  Er was volop vertier voor iedereen.

Toen we op zo’n donderdag tussen de middag weer eens over de markt liepen en eigenlijk rammelden van de honger, lachte het geluk ons toe. Ik zag een papieren rijksdaalder op de grond liggen en raapte die snel op. Ik troonde mijn broer mee naar de Nieuwe Burg en liet hem het geld zien. Hoe kom je daar aan, vroeg hij. Eerlijk gevonden, antwoordde ik. ,,Wat gaan we daarmee doen?” ,,Kom mee, naar de bakkerswinkel en daar kopen we gebakjes.”

We moesten wel even een aarzeling wegduwen. Dat geld was toch van iemand anders? ,,Zullen we het naar de politie brengen”, vroeg mijn broer. ,,Niks hoor”, antwoordde ik en verzamelde moed, ,,we gaan naar de bakker.”  We bestelden vier gebakjes, betaalden en kregen nog geld terug ook. Lopend naar huis ging het doosje met gebak open en heel gauw was het op. Dat smaakte.

Maar wat moesten we met het wisselgeld. Als moeder erachter kwam, dan zwaaide er wat.  We wisten niets beter te doen dan de munten die in onze broekzak brandden, over straat te laten rollen en we renden gauw naar huis. Daar waren we niet echt spraakzaam. We hadden ook geen honger. ,,Waarom eten jullie zo weinig”, wilde moeder weten. ,,Geen trek”, antwoordde ik. ,,Ik heb last van m’n buik”, antwoordde broederlief.

Achteraf lagen die gebakjes toch wel heel zwaar op de maag.

Foto boven: De bakkerswinkel in de jaren vijftig (beeld ZA-Middelburg)

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Allie had in ‘Zeeland wordt wakker’.


·

De Nieuwe Burg in Middelburg, ca. 1955. (beelding ZA-Middelburg)

door Ali Pankow

Soms werpt de toekomst een glimp vooruit. Dat besef je natuurlijk pas achteraf.

Hoe had ik als 15-jarige puber in maart 1967 immers kunnen beseffen dat de Provinciale Zeeuwse Courant later zo’n belangrijke plek in mijn leven zou gaan innemen? Ik woonde in Oud-Beijerland (in de Hoekse Waard), leerling derde klas HBS en redactielid van schoolkrant ‘De Knots’.

Dus toen de uitnodiging kwam om in de paasvakantie deel te nemen aan een driedaags landelijk congres voor schoolkrantredacteuren in Het Zilveren Schor in Arnemuiden hapte ik gretig toe. Nou ja, onder voorwaarde dat mijn hartsvriendin Ann ook mee mocht, ook al zat zij niet in de ‘Knots-redactie’. Dat mocht. Dus togen wij op woensdag 29 maart 1967 met gespeeld zelfvertrouwen de wijde wereld in voor een congres in het voor ons verre Arnemuiden.

Na vertraging met bus en trein stonden we een uur na de geplande aankomsttijd daar op het perron met nog vijf andere, te laat aangekomen congresgangers. We meldden ons telefonisch en werden alsnog gastvrij opgehaald om in het jongerenontmoetingscentrum te worden ontvangen. Of we maar wilden beseffen hoe bijzonder deze ontvangst in Het Zilveren Schor wel was: Twee maanden voor de officiële opening door Koningin Juliana en Prins Bernhard mochten wij bij wijze van proef hier vertoeven. Het centrum betrof een geschenk van het Nederlandse volk aan het koninklijk paar ter gelegenheid van hun zilveren bruiloft.

Sinds het bericht eind 2015 over de sloop van het gebouw keerde de herinnering aan dat ‘proefverblijf’ in Het Zilveren Schor levendig terug in mijn hoofd. Wat was het er vochtig en koud, maar wat apart waren die slaapzolders met piramidedaken en die lange glazen gangen.

Hoe zag het programma van het schoolkrantencongres eruit? Mijn dagboek van toen kon me daar vast meer over vertellen. Jawel, dat we een discussie hadden met schrijver Bert Schierbeek én met de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant. Mijn dagboek vermeldt zijn naam niet, maar dat moet dus Gommert de Kok zijn geweest. In twee zinnen staat ook dat we iets leerden over het maken van krantenkoppen en dat we een bezoek brachten aan de drukkerij van de PZC in Vlissingen. Ook was er nog een ‘vervelende man’ die over nieuwe spelling kwam praten en twee redacteuren van ‘Hitweek’, die wel leuk waren.  Verder wel een lang verhaal over hoe we ’s nachts met elkaar discussieerden, dansten, flirtten en vrijwel niet sliepen. Ach, ik was 15 en kon niet in de toekomst kijken.

Foto:  De slaapzolder voor de meisjes in Het Zilveren Schor; ik tweede van rechts, daarachter mijn vriendin Ann.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ali had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Peter Verdurmen

Voetbal of verkennerij, veel meer smaken waren er niet.

O ja, er was ook nog een drumband op het dorp. Na één repetitie ‘pannekoeke pannekoeke’ hield ik het al voor gezien. Te saai.
Veel leuker: hutten bouwen in het Boerenverdriet of in de  drooggevallen Veste naar lonten zoeken uit de oorlog. Best gevaarlijk trouwens.
De verkennerij, dat leek me wel wat. Maar of bij ons het spel gespeeld werd zoals Lord Baden-Powell, oprichter van de scoutingbeweging, bedoeld had, lijkt me twijfelachtig.

De Britse oorlogsheld hield van discipline. Wat dat aangaat waren er bij ons best wel wat verbeterpuntjes, haha.
Avontuurlijk was het wel. Met de hopman, een verwoed jager, in het najaar mee de velden in. Wij waren de drijvers en de hazen waren het konijntje…
Vaak gingen we buitenslapen. Veel leiding was er niet bij. Veel lol, weinig slaap. M’n moeder op zondagmorgen: ‘Het lijkt wel of je geen oog dicht hebt gedaan vannacht.’ Tja, wat moet je dan zeggen.

Van fotografie hadden we als jonkies helemaal geen kaas gegeten. Een verslag van een tweedaagse hike, we sliepen veilig op een camping bij de vuurtoren van Brèsjes, dus geen zorgen, moest worden verlucht met enkele foto’s.

‘Even kijken of er wat op het rolletje staat’, zei m’n kompaan en trok het celluloid zó uit de camera. Hij hield de lange grijze rol tegen het licht. ‘Huh, er staat helemaal niks op’. Het verslag, zonder foto’s, leverde toch nog een insigne op. Ach, ze waren niet zo moeilijk in Petit Paris.

Foto: 1966: De verkenners van IJzendijke. Ik ben de jongen met het Beatles-koppie.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Peter had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Albert Kort

Nu de huidige crisis me een soort huisarrest oplegt, ben ik gedwongen allerlei activiteiten in het huis te ontplooien die er normaal gesproken bij inschieten.

Neem het opruimen van de zolder, een vervelend karwei waar je als een berg tegenop ziet. Hoe verheugender is het dan dat je daar soms de meest verrassende ontdekkingen doet.

Zo stuitte ik bij het uitpakken van de vele op elkaar gestapelde dozen op de boekjes van Karl May wiens spannende indianenverhalen mij als tienjarige jongen destijds zo veel leesplezier bezorgden. Al lezend in de pockets kwam het ‘wilde westen’ in mijn kamer tot leven en zag ik mezelf op een paard zitten, door de steppen rijdend en op mijn hoede voor de vele gevaren die daar op de loer lagen. Wat was ik onder de indruk van de helden die door de schrijver tot mensen van vlees en bloed werden gemaakt! Old Shatterhand die met één vuistslag boeven uitschakelde; zijn ‘bloedbroeder’ Winnetou die korte metten maakte met het vele gespuis dat er op de prairie rondliep; de beschrijvingen van de schitterende landschappen waarop de schrijver zijn jeugdige lezers trakteerde: ik kon er geen genoeg van krijgen. Al mijn spaargeld ging er aan op. Aangezien een deeltje uit de vijftigdelige serie 1,95 gulden kostte, mijn zakgeld 50 cent per week bedroeg en ik er ongeveer een maand over deed om een boekje uit te kunnen lezen, was de aanvoer van vers leesvoer altijd weer verzekerd.

Dat er geen plaatjes in de boeken stonden en dat de letters minuscuul waren, betekende niet dat ze saai waren. Integendeel. De woorden zette je om in beelden en wat prikkelt je fantasie nu eigenlijk meer?

Jaren later, tijdens mijn studententijd, hoorde ik hoe ‘fout’ het oeuvre van May wel was. De schrijver bleek een leugenaar en fantast te zijn, die zelf nooit een stap in Amerika had gezet. Bovendien was hij betrapt op diefstal waarvoor hij maar liefst vier jaar had moeten brommen. Maar waar men vooral over viel, was zijn westers superioriteitsbesef en openlijk racisme. Niet voor niets was Hitler een groot bewonderaar van Karl May.

De ontluistering van mijn idool deed me niet zo veel. Wat schoot ik op met deze wijsheid achteraf? Het leesgenot van toen was belangrijker.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Albert had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Willem Staat

Een van de eerste verre reizen die ik als kind maakte voerde mij met mijn ouders en broertje naar de Efteling. Het was op een zomerse dag.

Ik was danig onder de indruk van de hemel van Anton Pieck. Het begon al met Holle Bolle Gijs die om papier riep. Je gooide er een prop in waarop hij reageerde door meerdere keren luid ‘dank u wel’ te roepen.

Ik kon er geen genoeg van krijgen, maar we moesten verder, het sprookjesbos in. Dat was pas een belevenis! Indrukwekkend groot was de reus die zijn nek voor mijn gevoel bijna tot in de wolken deed stijgen. Ik keek vol verbazing naar  de  dansende schoentjes en was geboeid door de vitrine waarin twee knaapjes hingen: de onzichtbare kleren van de keizer!

Maar de meeste indruk maakte de vliegende fakir. Dat was een in het wit geklede man, die vanachter een paleisvenster op een instrument blies, waarop de tulpen in de tuin begonnen te rijzen. Daarna gingen de deurtjes dicht. Even later vloog hij op een matje uit de bovenetage van een van de torens naar de paleisvleugel aan de overkant. Daar speelde hij op de begane grond opnieuw, waarna hij terugvloog. Voor mij een magisch schouwspel.
Vele jaren later gingen we met de kinderen naar de Efteling. De reus bleek een stuk minder lang dan vroeger. Aangekomen bij de fakir bleek dat diens tapijt niet vanzelf vloog, maar gewoon over nylon draden werd getrokken.

Ik keek naar mijn kinderen. Zouden zij dat ook zien? Maar nee, ze waren net zo kritiekloos als  ik vroeger. Dat bleek ook in het kabouterbos, dat er nog niet was toen ik kind was. ,,Papa, het wasvrouwtje lachte naar me”, zei mijn jongste dochter. ,,Weet je het zeker?”, vroeg ik.  ,,Ja, het is echt waar!”
Dat de wereld minder sprookjesachtig is dan je als kind waarnam, daar kom je later wel achter. Toch koester ik nog restjes van het sprookjesgeloof. Elk jaar hoop ik in de herfst, wanneer de bomen nog fris ogen, dat ze dit keer hun blad zullen behouden en we een groene winter krijgen. Zo gaat het ook wanneer ik een boek lees of een documentaire zie over oorlogen. Stilletjes hoop ik dan dat het minder erg verloopt dan ik al heel lang weet.
Het kind in de mens is nooit gestorven.

Foto: Op de schommel: ik ben het jongetje op de zesde plek dat recht in de camera kijkt.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Willem had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Margreeth Ernens-Abrahamse

‘We gaan op schoolreis!’ Dat was de boodschap die juf Mieke haar kleuterklas op een dag in 1964 meegaf. De meeste 5- en 6-jarigen wisten amper waar ze het over had, maar dat het een avontuur zou worden, stond vast.

En zo vertrokken we op een mooie voorjaarsdag met een bus van Terneuzen naar Cadzand. Die 37 kilometer voelde als een wereldreis voor ons. Iedereen had een lunchpakketje bij zich, en er werd onderling flink geruild. ,,Wat heb jij op je boterham?’’ De meeste pakketjes haalden het dan ook niet tot het middaguur.

We deden spelletjes op het strand en mochten pootje baden. De zon scheen en iedereen had het naar z’n zin. Als klap op de vuurpijl gingen we iets drinken in het grote, houten strandpaviljoen. Het was er een beetje donker. Een meisje nam onze bestellingen op. ,,Je kunt kiezen uit sinas, prik en chocomel.’’ Ik wist niet wat chocomel was, maar het klonk als chocolademelk, dus dat wilde ik wel eens proberen. Ik kreeg een ijskoud flesje met een geel etiket in mijn handen gedrukt.

Er zat een lichtbruine vloeistof in en omdat ik flink dorst had gekregen van onze stranddag, begon ik te zuigen aan het meegeleverde rietje. Maar wat was dat een teleurstelling! Het smaakte heel waterig, en helemaal niet lekker, niet zoals ik me chocomel had voorgesteld.

Ik durfde het flesje niet terug te geven, dus dronk ik manmoedig verder. Toen het bijna leeg was, zag ik een donkerbruine drab op de bodem tevoorschijn komen. Maar het spul wilde niet door het dunne rietje en ik likte dus het rietje maar af. De drab bleek mierzoet, en lekker. Juf Mieke zag het en schudde haar hoofd: ,,O, o, ze zijn vergeten het flesje te schudden voor ze het openden.’’

De terugtocht naar huis verliep een stuk rustiger dan de heenreis. Voor de laatste bocht moesten we van de buschauffeur onder onze stoelen duiken en heel stil zijn, zodat onze ouders zouden denken dat we kwijt waren… Het was een succes: toen we joelend overeind kwamen, keken alle ouders opgelucht.

Om onze eerste schoolreis niet te vergeten werd de hele groep nog op de kiek gezet. Een mooi slot van een lange dag. Een flesje chocomel heb ik overigens nooit meer besteld…

Foto: De derde klas van de kleuterschool na het schoolreisje. Juf Mieke staat achterin geheel links, ik sta achterin. tweede van rechts, naast de buschauffeur.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Margreeth  had in ‘Zeeland wordt wakker’: