Columns van de redactie

De redactie plaatst wekelijks een foto ‘uit de oude doos’ op deze webpagina, met daarbij een leuke anekdote. Bij veel columns werd de auteur daarover geïnterviewd door Remco van Schellen voor Zeeland wordt Wakker op Omroep Zeeland Radio. De interviews kunt u terugluisteren via de podcast Zeeuws Weerzien: klik hiervoor op de link onderaan het artikel. Veel lees- en luisterplezier!

Borrelt er een eigen herinnering bij u op? Deel deze met andere lezers! U kunt hiervoor het reactieformulier gebruiken of stuur een mail aan web@zeeuwsweerzien.nl

Voor het veertigjarig jubileum van ASV in Brouwershaven werd een bijzondere voetbalwedstrijd opgezet: de mannen tegen de vrouwen. -Lees meer
In 1970 brachten twee Amerikaanse dames een bezoek aan Zuid-Beveland. Als afstammelingen van emigranten zochten zij 'verloren' familie. -Lees meer
Als prille verslaggeefster maakte Ali Pankow de tweede emancipatiegolf in Zierikzee mee. Dat was journalistiek smullen. -Lees meer
In de winter van 1954 liepen vijf mannen over de Zandkreek naar Noord-Beveland met een ladder vol kranten. -Lees meer
Als tiener volgde ik natuurlijk de rage om een ander stuur op je fiets te zetten. -Lees meer
Mijn vroegere schoolmeester vertelde prachtige verhalen over vaderlandse helden. Maar waren hun daden wel allemaal zo goed? -Lees meer
Als vijfjarige woonde ik in een nieuwbouwwijk, waar de bakker en de kruidenier nog langs de deur kwamen. -Lees meer
Samen met mijn vrouw fiets ik al decennialang door de polders van Zeeland, genietend van ruimte en leegte. 'Zeeland vol' -Lees meer
In 1964 vierden we vakantie in een bunker in Cadzand. Het hele duin was voor onszelf en de zee vlakbij. -Lees meer
De Roeper van de Kaloot was vroeger belangrijk. Als het mistig was hoorden we de spookachtige waarschuwing: 'No anchors, cables!'. -Lees meer
door Ans van Nieuwenhuijze

De Algemene Sport Vereniging (ASV) in Brouwershaven vierde haar veertigjarig jubileum in 1968 onder meer met een voetbalwedstrijd van ongelijkwaardige teams: een elftal van jongens en mannen en een dubbel elftal van 22 meisjes en vrouwen.

De strijders waren samengesteld uit de leden van de twee teamsporten die onder ASV uit te oefenen waren: voetbal en korfbal.

Ik was één van de 22 meisjes. We hadden een paar keer getraind om toch enigszins wat van de spelregels van het voetbal letterlijk onder de knie te krijgen. In die tijd was voetbal toch vooral aan de mannelijke helft van de wereldbevolking voorbehouden, zelfs bij het straatvoetbal.

Op een zonnige zaterdagmiddag werd de jubileumwedstrijd gespeeld. Met 33 spelers waren er aardig wat supporters/familieleden naar het sportveld gekomen om het spel te aanschouwen.

Zij moeten vooral een sportief, maar ook redelijk chaotisch voetbalspel hebben gezien. Met ook wel een aparte regel voor de oplossing van blessures. Bier en frisdrank kwamen eraan te pas als iemand maar een vermoeden van een mankement opliep. Het verhoogde de spelvreugde aanzienlijk. Vooral bij de bierdrinkers.
Ondanks de grote overmacht van vrouwelijke spelers hadden wij geen schijn van kans. Hoe de eindstand precies was weet ik niet meer, wel dat we ruim twintig tegendoelpunten kregen.

Foto: Het damesteam: ik ben de vierde van rechts op de achterste rij.
Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ans had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Allie Barth

In 1847 vertrok een grote groep Zeeuwen onder leiding van de predikant Cornelis van der Meulen en de rijke boer Jannis van de Luijster naar Noord-Amerika. Op zoek naar een nieuw vaderland waarin men ongehinderd zijn geloof kon belijden. Van de Luijster betaalde voor alle mensen de reis. Daaronder waren leden van de familie Steketee, ook nu nog een bekende naam in Borsele en Nieuwdorp en in het stadje Zeeland in de Verenigde Staten.

Alle deelnemers aan de overtocht behoorden tot de Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk. Zij hadden de hervormde kerk vaarwel gezegd, omdat daar volgens hen een valse leer werd verkondigd. Tot 1841 werden ze vervolgd door de overheid. Nadien niet meer, mits ze van hun bestaan kennis hadden gegeven aan de overheid. In de negentiende eeuw was dominee Steketee in Nieuwdorp een bekende verschijning. Eén van zijn zoons bracht het aan het eind van die eeuw tot hoogleraar aan de Theologische School in Kampen.

Zo rond 1970 besloten twee Amerikaanse gezusters Steketee een reis te maken naar Zuid-Beveland waar ze ongetwijfeld Zeeuwse Steketee’s zouden kunnen ontmoeten.  Beide dames, aan de verkeerde kant van vijftig jaar, behoorden tot de welvarende Amerikanen wat zich niet alleen in de kleding uitte, maar ook in de lichamelijke omvang.

Zij arriveerden op een regenachtige dag in Goes en namen een kamer in Hotel De Korenbeurs. Aan de directie van het hotel legden zij uit waarom zij naar Goes waren gekomen. Dat ging om een kennismaking met Zeeuwse Steketee’s, graag in klederdracht. De directeur zegde alle medewerking toe, maar vertelde er meteen bij, dat mannen al niet meer in klederdracht liepen en dat vrouwen ook steeds meer op hun ‘burgers’ door het leven gingen. Hij pakte wat later het telefoonboek om te bezien welke Steketee’s in het dorp Borssele woonden. Het gelukte hem om een wat ouder echtpaar van die naam te strikken voor een bezoek én zeer tot verheugenis van de beide dames liep de Borsselse vrouw nog op haar boers.

Twee dagen later kwamen man en vrouw het hotel binnengewandeld. Onder het uitstoten van opgewonden geluidjes schudden de beide Amerikaansen de handen van het echtpaar. De man was klein en mager en zag er oud uit. De vrouw had ook al geen vlees op de botten en was langer dan de man. Na de eerste kennismaking viel er een wat gedwongen stilte. Het echtpaar kende geen Engels en de Amerikaanse dames spraken geen Nederlands.

Een paar minuten later liep het zweet beide dames tappelings langs de rug. Ze pakten ook een zakdoek om het rode hoofd droog te wrijven. De boerenvrouw nam kordaat het heft in eigen hand en sprak tegen haar man: ,,Je moet eens vertellen dat we met de nieuwe auto gekomen zijn.” De echtgenoot  sputterde eerst zachtjesaan wat tegen, maar herpakte zich. Hij schraapte de keel en sprak: ,,Ons bin mee de’n nieuwe auto gekomme.” Maar van de overzijde van de Atlantische Oceaan kwam geen reactie. Beide dames keken elkaar aan en antwoordden niet. Ze begrepen er niets van. ,,Toe man, zeg het nog eens een keer. Misschien zijn ze doof.” Op verhoogde toon sprak de man nogmaals: ,,Ons bin mee de’n nieuwe auto gekomme”.

De zussen deinsden verschrikt achteruit. Wat was er aan de hand.  Deed men in Holland altijd zo? Na nog een oorverdovende stilte stond de vrouw uit Borsele op, pakte haar omslagdoek en paraplu en trok haar man mee. Ze sprak: ,,Kom Piet, we brengen de nieuwe auto naar huis. Zijn we hiervoor nou helemaal uit Borssele naar Goes gekomen? ’t Is helemaal geen familie, want die zou ons wel verstaan hebben. Ze zijn ook veel te dik om familie te kunnen zijn.“

Het is niet bekend of de Amerikaanse Steketee’s terug konden kijken op een plezierig verblijf in Zeeland.

Met dank aan Hans van Boven.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Allie had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Ali Pankow

Krijsende Dolle Mina’s met de tekst ‘Baas in eigen buik’ op hun ontblote bovenlijven waren aan Zierikzee voorbij gegaan, maar de tweede emancipatiegolf zo half jaren zeventig bleek hier niet te stuiten.

Wat een heerlijke tijd om die als prille verslaggeefster mee te maken. Zelf was ik nauwelijks nog feministisch aangevlamd, maar alles wat ik zag en hoorde, wakkerde het vuurtje stevig aan. Dus ook persoonlijk maakte ik een ontwikkeling door. Maar journalistiek gezien was het helemaal smullen. Dit kenden we immers niet in de soms oersaaie gemeenteraadsvergaderingen met overwegend plechtige mannen in donkere pakken. Kwam daar in die monumentale raadszaal in Zierikzee plotseling een groep kleurrijk geklede meiden hun subsidie voor een Vrouwencafé bepleiten. Dat deden ze helder én luidruchtig met gescandeerde leuzen en met boe geroep als een van de raadsleden denigrerende opmerkingen maakte.

,,Als u zich niet gedraagt, laat ik u verwijderen’’, siste toenmalig burgemeester mr. Th. H. H. de Meester met rood aangelopen hoofd boven zijn smetteloos witte overhemd. Die gemeentelijke subsidie werd nooit verstrekt, maar het Vrouwencafé Zierikzee is er toch gekomen. Dat was het begin van verdere ontwikkelingen.

Schouwen-Duiveland kreeg een emancipatiewerkster en iets later kwam er een 8 Maart Comité ter viering van Internationale Vrouwendag. Er werd een werkgroep ‘Vrouw en Geloof’ opgericht en de FIOM, hulporganisatie bij ongewenste zwangerschap werd ook in deze regio een begrip. Een volledige opsomming voert te ver, ik pik slechts wat krenten uit de pap.

Die vrouwen toen waren vol overtuiging om ondanks veel weerstand door te gaan met de zaken waar ze voor stonden. Met veel plezier schreef ik over alle vernieuwing die ze brachten. En met veel lol ook gaf ik gehoor aan een uitnodiging om tijdens zo’n vrouwenfeest op 8 maart een kort optreden te verzorgen. Met dank aan de Zeeuwse tekstschrijfster Ans Schilders voerde ik de monoloog ‘Met een boa’ op.  Een herinnering om te koesteren.

Foto: Mijn optreden tijdens een van de vieringen op 8 maart, Internationale Vrouwendag. foto: Joop van Houdt

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Ali had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Frans van de Velde

Hoe groot zou de oplage van de Provinciale Zeeuwsche Courant in 1954 zijn geweest, vijftien duizend? Ik weet het niet.

Wel weet ik dat de MAN-rotatiepers in Vlissingen er om zes uur ‘s morgens nog mee bezig was. Die kranten werden met vermoedelijk de enige bestelwagen die het bedrijf rijk was editie voor editie, eerst voor Tholen, de Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen, naar het station en de veerhaven in Vlissingen gebracht. Alles ging immers per  trein, veerboot en streekbus de provincie in. Alleen Midden-Zeeland zat met dammen plus spoorlijn aan elkaar. Op elk station werden kranten uitgeladen en verder vervoerd. Naar bezorgers, per fiets of bakfiets, en per streekbus op weg naar het volgende dorp. Tot en met Bergen op Zoom want Tholen en Sint Philipsland waren alleen via de brug over de Eendracht bereikbaar. De route naar Schouwen-Duiveland liep van Goes per bus naar het veer Wolphaartsdijk-Kortgene, per bus naar Katseveer en dan weer de boot naar Zierikzee. Zeeuws-Vlaanderen werd als grootste gebied waarschijnlijk ook al via Kruiningen-Perkpolder beleverd.

Door hoeveel handen werd elk pak kranten wel niet opgepakt? En hoe laat waren ze in Bruinisse, Hulst of Sint Philipsland? De lezer daar was vast wel tevreden als de ochtendkrant bij het middagmaal op de eettafel lag.

In februari 1954 werd het koud, erg koud. Havens en vaarwegen vroren dicht. Ook de trouwe veerboten lagen onwrikbaar aan de steigers. Mijn vader zag dat als aankomend directeur met lede ogen aan en haalde wat mensen bij elkaar. Het stoute plan ontstond om Noord-Beveland via het ijs op de Zandkreek van kranten te voorzien. Simpelweg door kranten op een ladder te binden en die met touwen voort te trekken. Veerman Kees Noordhoek uit Katseveer keurde vrijdagmorgen 5 februari de ijsdikte goed en zette naar eigen zeggen ‘een prachtige baan’ uit.

Bij laag water vertrokken ze, in een kwartiertje waren ze aan de overkant. Ik heb lang gedacht dat dit een echt waagstuk was geweest in de zware winter van 1963. De boekbrochure ‘De jaren vijftig’ van Uitgeverij Den Boer | De Ruiter bracht opheldering plus een leuke foto. De man rechts op de foto was mijn vader, net 32 jaren jong.

Foto: Frans van de Velde senior (rechts) trekt met vier anderen de ladder met kranten naar Noord-Beveland. Bron: ‘De jaren vijftig in Zeeland’. Uitgeverij Den Boer | De Ruiter, boekbrochure.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Frans had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Peter Verdurmen

Rages, ze komen en gaan. Sommige slaan wereldwijd aan.

De hoelahoep, Beatleskapsels, als je erbij wilde horen kon je er niet onderuit. Er waren ook lokale rages. Wie ze bedacht, Joost mag het weten.
Welk jaar het precies is geweest is gissen. Ik vermoed ’64 of ’65.  Ineens begon iedereen in het dorp fietsen te pimpen. Wie een beetje handig was aangelegd kon het zelf. En anders vroeg je je pa, een oudere broer of buurjongen om hulp.
Afgetrapte verroeste derdehandsjes werden omgetoverd in blikvangers waarmee je op straat indruk kon maken op vrienden. De Puch brommer was ons lichtend voorbeeld.
Het ‘suffe’ standaardstuur van de fiets werd vervangen door een hoog Puch-stuur. Dat was niet ongevaarlijk.
Een hoog stuur reageert niet altijd zoals je wilt, kan ik bevestigen als ervaringsdeskundige…. Je gaat snel zwabberen. Boontje komt z’n loontje: wie de blits wilde maken, liep een gerede kans om tegen de straatstenen te smakken. Pleistertje erop en het leed was geleden. Zo flauw waren we niet.
Het absolute einde: een autostuur op de stuurkolom van de fiets (‘È je da hezien’). Dat konden alleen hele handige Harry’s voor elkaar boksen.
Eén, hooguit twee jaar heeft de ‘stuur’rage geduurd. Toen waren we er op uitgekeken.
Wie weet staat er ergens in een hoekje van de schuur nog zo’n ‘trap’Puch weg te roesten. Die mag van mij in het Sixties Museum met andere mooie jeugdherinneringen.

Foto boven: In schuurtjes werd heel wat gesleuteld door de opgroeiende jeugd.

door Albert Kort

Ik zie hem nog voor me staan. Een grote man, zelfbewust en overtuigd van het eigen gelijk. Een man tegen wie je als scholier letterlijk en figuurlijk opzag. Wat kon hij mooi vertellen, mijn vroegere schoolmeester van de katholieke Mariusschool in Goes.

Of het nu verhalen waren over dappere kruisridders die gehakt maakten van hun tegenstanders of over de martelaren van Gorcum, altijd wist hij mij te boeien. Ook over de vele roemruchte figuren uit de vaderlandse geschiedenis raakte hij niet uitgepraat. Bonifatius, Floris V, Johan de Witt, Michiel de Ruyter: al deze personen kwamen in zijn lessen tot leven. Omdat de school in de J.P. Coenstraat stond, was het geen wonder dat de meester uitgebreid inging op het leven van de voormalige VOC-gouverneur. Uiteraard maakte hij Coen tot een held. Coen had immers gevochten voor God en vaderland en had de basis gelegd voor de macht en welvaart van ons land. Zijn meeslepende verhalen over Coen leken op de indianenboeken die ik in dezelfde tijd verslond: spannend, eenvoudig en ze liepen altijd goed af.

In onze tijd gelden deze verhalen als ‘politiek incorrect’. Ik moest er aan denken toen we eerder dit jaar getuige waren van een ware beeldenstorm die door Europa en Amerika raasde en waarbij vele standbeelden van ‘foute helden’ van hun sokkel werden getrokken of aan diggelen werden geslagen. Zo ver is het met het beeld van Coen in zijn geboorteplaats Hoorn nooit gekomen. Daar was reeds in 2012 tot een compromis besloten: het beeld mocht blijven bestaan, maar het moest worden voorzien van een toelichting waarin duidelijk werd gemaakt dat Coen heel wat op zijn kerfstok had.

Ik vraag me af of iemand in Zeeland op het idee komt om het standbeeld van De Ruyter in Vlissingen te voorzien van een tekst waarin gewezen wordt op het vele leed dat hij zijn tegenstanders heeft aangedaan? Of moeten we nog een stap verder gaan en een proces tegen hem beginnen? Ik zie het al voor me: De Ruyter in de beklaagdenbank beschuldigd door nabestaanden van slachtoffers uit de Engels-Nederlandse zeeoorlogen. Aangeklaagd wegens misdrijven tegen de menselijkheid.

En gaat mijn voormalige meester wel vrijuit? Was hij niet degene die de jeugd destijds op ‘nepnieuws’ trakteerde?

Foto boven: Ik achterop de fiets bij mijn broer, aan de ingang van de school. Ongeveer 1963-1964.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Albert had in ‘Zeeland wordt wakker’:

Het inmiddels afgebroken gebouw van de RK Mariusschool in Goes. De foto dateert uit 1952/53. In 1953 begon de school. Ze heeft tot 1975 bestaan. Tussen 1962 en 1968 was ik daar leerling.

door Johan Francke

De nieuwbouwwijk in het kustdorp waar wij halverwege de jaren zeventig kwamen wonen kende nog grote stukken braakliggend terrein. Het zou nog jaren duren voordat die waren volgebouwd. Toch keek de middenstand toen al begerig naar al die gezinshuishoudens. ‘Als ze niet naar jou toekomen, dan moet je er zelf naartoe’, is een verkoopwijsheid die gemeengoed is. Bakker en kruidenier kwamen er nog langs de deur en met hen vele anderen.

Eén ambulante handelaar herinner ik me in het bijzonder omdat ik, hoewel ik nog klein was, toen al doorhad dat dit de laatste der Mohikanen betrof. Het was een oud mannetje –maar iedereen die ouder is dan twintig is oud in de ogen van een vijfjarige- met een geruite pet met klep op zijn hoofd en een sigaar in de mond. Zijn oude Ford-bestelwagen hing aan de buitenkant vol met huishoudelijke artikelen zoals afwasborstels, schuursponzen, ragebollen, zinken emmers, dweilen, bezems en deurmatten. Zijn roestbak zag eruit alsof die het elk moment kon begeven. De man beklaagde zich dan ook flink over zijn handel ook al konden de moeders van al die nieuwe huishoudens zijn spullen goed gebruiken.

Toch heb ik de beste man hooguit twee of drie keer gezien. De mensen waren na enkele bezoeken niet alleen door hem voorzien, al die nieuwe huishoudens gingen hun dagelijkse artikelen in die jaren steeds vaker halen bij de supermarkt. Een winkelconcept dat ook in de kleinere kernen als een olievlek uitbreidde en aan populariteit won. De SRV-man werd het alles-in-één concept aan de deur dat al die ambulante handelaartjes verving en zich tussen hen en de supermarkt inwrong. Maar ook die verdween al na enkele jaren uit ons dorpje. Je moest immer alert zijn op de bel als hij langskwam en je geheid ergens anders druk mee bezig was. Eind jaren tachtig waren de meeste van deze rijdende supermarktjes ook verdwenen.

Er waren in die nieuwbouwwijken vaak twee kostwinners. Die waren door de week overdag niet thuis en haalden in het weekend al hun spullen bij de supermarkt of in de stad. Ook latere huis-aan-huis concepten als de IJskoning, waarmee eerst diepvries ijs, maar later ook ingevroren pizza’s langs de deur werden gebracht konden op te weinig klandizie rekenen en hielden het na enkele jaren voor gezien.

Landbouwingenieur Geuze vatte de situatie in 1981 pakkend samen: ‘‘En vinters of wuuven mi agosie zie je nie mêê’, net zo min ‘as mi’n kurf of ’n kruuwaegen’ of ’n bakfiets.‘ Toch is het een kwestie van oude wijn in nieuwe zakken. Online kun je tegenwoordig bijna alles bestellen en het wordt een dag later bezorgd, zonder dat je de deur uit hoeft te komen. Een ding ontbreekt daarbij en maakt toch wat nostalgie los; dat is de zurige geur van die afgekloven sigaar, die met de verkoper vergezeld ging. Of was het zijn jasje?

Foto boven: Een ambulante handelaar verkoopt huishoudelijke artikelen zoals deurmatten in de Herenstraat in Domburg, ca. 1905, ZB| Beeldbank Zeeland, foto: Anne Bolle, recordnr. 19261

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Johan had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Willem Staat

Dertig jaar geleden riep gedeputeerde Jan de Voogd uit dat Zeeland vol was. Het gebeurde toen de provincie in het derde weekeinde van juli heel druk bezocht werd door toeristen.

Die uitspraak werd de man in 1990 niet algemeen in dank afgenomen, zeker niet door mensen die hun brood verdienen aan al die belangstelling.

De kerk van Zuiddorpe

Kort daarop fietste ik met mijn vrouw Trudy vanuit Hengstdijk over de Langeweg in noordelijke richting. Het was een mooie zomerse dag. Al peddelend konden we van ver al de kerktoren ontwaren  van de Snis, oftewel Ossenisse. ‘Lekker vol hè’, riep ik tegen Trudy, die  een eindje voor me uit fietste. ‘Wat zeg je?”, antwoordde ze. En ik herhaalde mijn boodschap.

In werkelijkheid was er behalve wij tweetjes geen mens te zien. Het vakantiepatroon was toen al aan het veranderen. Bos raakte uit en  water raakte in. En hoeveel mensen houden er van polders? Wij wel! We genoten van het uitzicht over de vrucht dragendeakkers. We laafden ons aan de kronkeldijken en kreken die gul liggen uitgestrooid over Zeeuws Vlaanderen.

Afgelopen zomer vierden we onze zoveelste vakantie ‘aan de overkant’. Dit keer in Westdorpe, in de Kanaalzone. We verbleven aan de Graaf Jansdijk, de schilderachtige voormalige zeewering waarlangs de bebouwing van Westdorpe zich over bijna vijf kilometer uitstrekt. We verbaasden ons over de uitzichten langs de Zeedijk. Aan de ene kant schepen en industrie en aan gene zijde kassen en vogelrijke waters. In het dorp liggen ook nog een schitterende 18e eeuwse voormalige zeesluis en een fort tegen elkaar aan.

We fietsten over de uitgestorven Fortdijk onder Axel langs prachtig opgeknapte schansen te midden van overweldigend natuurschoon. En op een zonovergoten morgen koersten we naar Zuiddorpe. Bij het beroemde café ’t Gemeentehuis stonden de tafeltjes op corona-afstand van elkaar. Het terras besloeg een flink deel van het lommerrijke dorpsplein. De koffie was puik en de taart bevatte alleen maar prettig stemmende ingrediënten. Op tien meter afstand zat nog een paar op leeftijd. Verder niemand te zien. Paradijselijk stil was het ook tijdens de rit die we daarna maakten via dubbeldorpje Overslag.

De beminnelijke Jan de Voogd overleed in 2015 op 90-jarige leeftijd. Zijn woorden van toen klinken nog steeds na, want Zeeland was dit jaar misschien wel voller dan ooit.  Overal waar water is wriemelden wandelaars, wielrenners en recreatieve fietsers als mieren door elkaar heen.

Daarachter was het nog net zo stil als toen.

Foto boven: Zuiddorpe, het terras van het café op het lommerrijke dorpsplein.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Willem had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Margreeth Ernens-Abrahamse

De zomervakanties werden door ons gezin meestal aan het strand doorgebracht. Mijn vader huurde dan ergens een huisje of stacaravan, op rijafstand van Terneuzen, want hij bleef de werkdagen thuis in zijn bloemenzaak, bloemen en planten hebben immers dagelijks verzorging nodig.

In 1964, ik was toen zes, had hij een bunker gehuurd in de duinen van Cadzand: ‘t Sterntje. Op een met prikkeldraad afgezet deel van de duinen stonden twee bunkers vlak bij elkaar, ingericht om als vakantieverblijf te fungeren, al waren ze wel erg vochtig. Dat afgesloten terrein betekende dat we het hele duin voor ons zelf hadden. Er groeiden volop bramen, die we dan ook naar hartenlust plukten. En we konden zo vanuit ons bed de zee in wandelen.

Een week voordat de vakantie begon kregen we de sleutel al, en er werd besloten om er op zondag eens te kijken wat we zoal moesten meenemen.

Tot onze verbazing troffen we een enorme troep aan: er stond een badkuip naast de bunker, vol met lege drankflessen. Overal lag rommel en het vakantieverblijf was tamelijk uitgewoond. Het bleek dat een groep jongeren de bunkers had gekraakt om er luidruchtig te feesten. Met vereende krachten hebben we de bende opgeruimd, het werd dus geen lui stranddagje. De week daarop gingen we écht vakantievieren in Cadzand.

Voor ons kinderen was ‘t Sterntje een heel spannend onderkomen, de oorlog was in onze ogen iets uit een ver verleden en we hadden nog geen weet van de drama’s die zich in de omgeving hadden afgespeeld.

Een voordeel van de bunker bleek dat we heerlijk koel konden slapen, hoewel we met ons flinke gezin wel hutje mutje lagen. In wat het keukentje moest voorstellen stond een echte pomp met een zwengel. Dat was een ‘nieuwigheid’ voor ons en om de beurt zwengelden we er op los om fris water te krijgen.

Wat me vooral is bijgebleven is het stralende weer. We zwommen in zee, bouwden raceauto’s en kastelen in het zand en deden kunstjes op de strandpalen. Mijn oom Aart had prachtige vliegers voor ons gemaakt, waar we uren zoet mee waren. En als mijn vader dan ’s avonds en in het weekend kwam, was dat een feestje.

Foto boven: Ons gezin bij ’t Sterntje: (boven vlnr) broer Kees, zus Aletta, mijn moeder, ik, (onder vlnr) broers Johan en Rienk.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Margreeth had in ‘Zeeland wordt wakker’:

door Mieke van der Jagt

Ineens is ie weg: de Roeper. Omdat ik niet al te vaak meer op de Kaloot kom, zou ik niet kunnen zeggen wie hem heeft weggehaald en wanneer, maar weg is -ie.

Je kunt nog wel zien waar hij gestaan heeft: een min of meer rond rommeltje van achtergebleven Vilvoirdse zandstenen. Want dat was zijn basis. Een kleine verhoging waarop het houten staketsel gefundeerd was, de laatste jaren alleen nog uitgerust met een geel bord met grote K erop, de K van kabels.

Vroeger, in de zomers waarin wij niet van de Kaloot waren weg te slaan, had de Roeper nog grote megafoons bovenin. Als het mistig was hoorden we in de kermisbedden op ons logeeradres in Borssele de spookachtige waarschuwing: “No anchor, cables”. Toen riep de Roeper nog.

Maar veel meer dan een waarschuwingssysteem voor de scheepvaart was de Roeper een landmark, om dat dan ook maar in het Engels te zeggen. Toen er nog geen kerncentrale stond en het Kalootstrand niet in tweeën werd gedeeld door een uitlaat; toen er bovendien nog een groot krekengebied achter de duintjes lag, kon je over het strand lopen van de noordnol tot aan de Sloekreek, ongeveer waar nu de ingang van de Sloehaven is. Een kilometer of drie van strand en jonge duintjes. Wilde je afspreken, dan was de Roeper een handig ding.

Afhankelijk van het weer, de waterstand en de zwemvaardigheid van het gezelschap, ging je zitten, liggen of het water in bij de Nol, waar de kleintjes leerden zwemmen, halverwege de Roeper, waar de duintjes het hoogst waren, bíj de Roeper of voorbij de Roeper, waar het in afnemende mate druk was. Je moest namelijk nogal een eind  door het zand sjouwen om zover te komen, als je de weg door de vervaarlijke, smalle maar diepe kreken niet wist.

Afgelopen stormseizoen is het stuk strand net voorbij de roeper tot aan de ingang van de haven weggeslagen. Bovendien kun je bij de Noordnol het strand niet meer op omdat daar een stopcontact voor de zeewindmolens wordt gemaakt. Maar bij de Kolencenrale staat het parkeerplaatsje vol. Iedereen zit dus min of meer bij de Roeper, al is-ie verdwenen.

Foto boven: Met mijn zus (links) onder de Roeper op de Kaloot.

Beluister het gesprek dat Remco van Schellen van Omroep Zeeland met Mieke had in ‘Zeeland wordt wakker’:

De Roeper van de Kaloot bij zonsondergang. Foto Beeldbank De Bevelanden.